Kerstavond
De trein had zich al in beweging gezet toen tegenover hem een jonge vrouw neerplofte. Ze ontdeed zich van haar zwarte pluizige rugzakje die ze naast zich neerzette. Aan haar adem was te merken dat ze zich had gehaast om de trein te halen. Waarschijnlijk had de conducteur voor haar iets langer gewacht met het vertreksignaal.
Als je een jonge erotiserende verschijning bent werken de dingen soms anders dan voor anderen. Misschien niet altijd makkelijker, maar wel anders. Toen ze haar met bontranden afgezette zwarte jack open ritste viel het hem op dat ze wel erg luchtig gekleed was voor het barre winterweer dat nu als stuifsneeuw langs de donkere treinramen joeg.
Hoewel ze lange zwarte laarzen droeg die pas boven haar knieën ergens ophielden was de rest van haar kleding meer geschikt om in een zwoele disco dienst te doen, strak truitje dat ergens boven haar navel eindigde en een kort rokje die daaronder weer begon. Ze sloeg haar gelaarsde benen over elkaar en keek hem uitdagend aan, waarschijnlijk met de bedoeling om hem eerder de blik te laten afwenden.
Hij sloeg geen acht op haar vijandige aandoende houding en keek naar haar borsten die door haar kalmer wordende ademhaling steeds rustiger op en neer gingen. Zijn blik ging naar beneden en zag dat haar laarzen hier en daar met zwarte tape waren opgekalefaterd. Het was kerstavond en hij vroeg zich af of er ook op dit soort avonden disco’s open waren. Het zou vast wel. Alles ging tegenwoordig 24 uur per dag het hele jaar door. Nu vielen hem ook de sleetse plekken van haar jack op. Heel haar kleding trouwens deed sleets aan.
Haar make-up was te rijkelijk aangebracht. Zeer rode lippen, glitters in haar haar en op haar wangen. Haar oogleden voorzien van zwarte randen en paarse strepen. Een indiaan op oorlogspad. Hoewel de rest van de coupé leeg was, had ze toch recht tegenover hem plaatsgenomen.
Vanzelfsprekend vroeg hij zich af hoe het zou zijn om met haar te vrijen. Op dat moment namen zijn gedachten een vlucht over de vrouwen in zijn leven, eigenlijk meer hoe zijn leven nu in elkaar zat.
Hij was in deze trein op weg naar zijn moeder om kerstavond met haar door te brengen. Hoewel hij eigenlijk gewoon thuis had willen blijven en daar met wat flessen wijn in een roes in zijn bed had willen kruipen om er pas op de dag na kerst weer uit te komen had hij in een telefoongesprek met zijn moeder toegezegd naar haar toe te komen en daar op televisie de nachtmis te zien.
Er waren in de afgelopen jaren soms maanden voorbij gegaan dat hij helemaal niet met zijn moeder gesproken had. Als er dan weer eens contact was, waren er altijd weer die klagelijke toon van verwijt en verhalen van eenzaamheid. En ook elke keer had hij het gevoel dat ze langzaam in de mist van slecht werkende hersens zou verdwijnen.
Maar in het laatste telefoongesprek was ze erg helder geweest, vroeg hem op de man af of hij alleen zou zijn met de kerst en ze constateerde dat dit ook voor hem niet zou meevallen. Ze nodigde hem uit omdat ze met hem te doen had. Hij had toegezegd te komen als ze maar niet teveel boodschappen in huis zou halen. ‘Jongen, ik kan met dit weer toch niet de deur uit. Maak je maar niet ongerust.’ Ondanks zijn 45 jaar bleef zijn moeder hem ‘jongen’ noemen.
De trein sukkelde nu een klein stationnetje binnen. In de huizen links en rechts naast de spoorbaan waren gelukkig aandoende tafereeltjes te zien. Bomen in de tuin die verlicht waren, kerstbomen binnen, hier en daar een glimp van mensen die samen voor de tv zaten. Wanneer was het voor het laatst geweest dat hij deze illusie van een gezellig kerstfeest had meegemaakt?
Misschien wel tien jaar geleden. Maar daar twijfelde hij aan. Voor herinneringen aan wondervolle kerstmomenten en het uit volle borst meegezongen ‘Gloria In Excelcis Deo’ moest hij meer dan dertig jaar teruggraven.
Sinds die tijd waren er zoveel dingen gebeurd die geen mens voor zichzelf plant. Misschien maakte kerstmis wel duidelijk dat hij zo ver verwijderd was van hoe hij eigenlijk wilde dat zijn leven er uit zag. Hij had zelf mensen in de steek gelaten, anderen hadden hem in de steek gelaten. Hij kende mensen die het anders hadden gedaan dan hij maar ook niet veel gelukkiger waren dan hij. Troosteloze huwelijken zijn net zo erg, zo niet erger dan alleen in je bed liggen met de vraag of er ooit nog wel eens iemand zal komen die er naast je in wil liggen.
Zijn gedachten dwaalden naar familie en oude vrienden die allang geen vrienden meer waren. Veel verbindingen met mensen waren verdwenen door heel verschillende oorzaken. Maar de grootste oorzaak lag wel in de verbroken relaties met vrouwen. Zijn exen hadden naast de meeste van alle boedel ook de vrienden naar zich toegetrokken.
Hoe gewetensvol je ook uit een relatie stapte, mensen oordeelden en veroordeelden. En elke keer was het weer moeilijker om er helemaal voor te gaan. Het meest leefbaar was nog om met oude bekenden en familie helemaal nergens meer over te praten. Het stadium van zichzelf verdedigen of anderen veroordelen was hij allang voorbij. Ach, wie weet had het ook weinig met zijn verbroken relaties te maken. Wie weet was hij niet geschikt om op een normale manier relaties met anderen te onderhouden.
‘Is alles wel in orde?’ Het duurde even voor hij besefte dat de jonge vrouw tegenover hem een vraag stelde. En terwijl de trein zich weer in beweging zette realiseerde hij zich dat hij al die tijd zijn blik starend op haar had gericht zonder haar werkelijk te zien. ‘Ja, dank je, alles is in orde. En met jou. Ook alles in orde?’ Hij probeerde zo vriendelijk mogelijk te klinken.
‘Het is een eenzame avond. Alle mensen zijn gelukkig. Nou ja, zo lijkt het tenminste. Of mensen zijn ergens naar op weg om met anderen gelukkig te zijn. Ik ben nu nergens naar op weg. Stelde je zo maar een vraag of wil je werkelijk weten hoe het met me gaat?’ In de toon van haar vraag klonk een mengeling van afweer en hopeloosheid door.
Hij keek naar buiten en zag de sneeuw in steeds dikkere vlokken langs de ramen gaan. ‘Ik stelde eigenlijk zomaar een vraag’, zei hij, ‘maar vertel verder. Als je nergens naar op weg bent en toch op reis gaat heb je vast iets te vertellen. Ben je aan de drugs?’ ‘Nee, ik ben niet aan de drugs. Ben jij een verkrachter of een serial killer?’ Hij lachte om deze puntige wedervraag. De stemming zat er goed in, zoveel was wel duidelijk.
‘Ik kom uit het ziekenhuis’, begon ze te vertellen. Ze had een zachte aangename stem. ‘Mijn vader is vanmiddag overleden. Hij had kanker. Ik hield veel van mijn vader en hij hield veel van mij. Hij is altijd mijn vriend geweest en wat ik ook deed, hij stond altijd voor me klaar, altijd was ik welkom bij hem.’ Ze keek terwijl ze dit vertelde uit het raam.
‘Ik heb de laatste dagen naast hem gezeten. Hij heeft helemaal niets meer gezegd, hij praatte al dagen niet meer. Er zat een slang in zijn neus en er zat een slang in zijn blaas. In het ene slangetje deden ze er spullen in en in het andere slangetje liep er wat uit hem. Terwijl hij aan het doodgaan was, was er niet eens een kamertje voor hem apart. Ik zat naast hem terwijl de andere patiënten bezoek kregen en allerlei kulverhalen aan elkaar vertelden.
Ik ben kwaad de gang opgerend om een verpleegster te zoeken om een kamertje alleen te eisen. Maar op z’n best liep er een Poolse zuster rond die in haar eentje het werk deed wat eigenlijk met z’n drieën gedaan moest worden. Ik was eigenlijk ook alleen maar kwaad omdat mijn vader doodging. Hij zou zelf tegen me gezegd hebben dat ik me er niet zo kwaad om zou moeten maken.
Dus heb ik uiteindelijk alleen maar naast hem gezeten en zijn hand vastgehouden. Ik hoopte dat hij me nog een kneepje zou geven of iets anders zou doen wat het einde in zou luiden. Maar op een gegeven moment was ie er ineens niet meer. Hij ademde op een gegeven moment niet meer en moest ik in de eindeloze ziekenhuisgangen op zoek naar iemand om te zeggen dat ik dacht dat het gebeurd was.
Uiteindelijk vond ik iemand, een verpleegster zo zwart als de nacht die geen Nederlands sprak. Met handen en voeten moest ik duidelijk maken dat mijn vader dood was.’ Ik heb op de gang gewacht tot ze hem naar de koelcel reden. En nu ligt hij daar.
Mijn broers komen niet naar hem kijken, ze komen misschien zelfs niet naar zijn begrafenis. Ze zijn kwaad op hem omdat hij contact met mij gehouden heeft. Ze vonden dat hij het contact met mij moest verbreken, dat hij moest kiezen tussen hen en mij. Ze zijn al die tijd niet een keer in het ziekenhuis bij hem geweest. Gewoon omdat ze mij niet wilden zien en omdat ze het mijn vader kwalijk namen dat ik bij hem mocht komen. Misselijkmakend is het.’
‘Waarom vonden je broers dat je vader je moest afwijzen?’ Het leek hem een voor de hand liggende vraag. Te voor de hand liggend. Hij stelde hem toch maar.
‘Ik heb een vriend die me mishandelt. Ik kan heel moeilijk los komen van hem. Mijn broers vinden dat ik het allemaal zelf maar moet uitzoeken. Ik neem ze dat niet kwalijk hoor. Maar dat ze op het uur dat papa stierf met hun Godvergeten kerstinkopen bezig moesten zijn is toch wel heel wrang. Dat ze niet even voor papa hun ijzeren standpunten konden vergeten.
Ik wil nu niet meer terug naar huis. Ik ga niet meer terug. Mijn vriend klopt niet. Echt niet, hij is nu kwaad dat ik te lang ben weggebleven. Hij wilde niet dat ik naar mijn stervende vader ging. Hij is ziekelijk jaloers. Ik heb al zo vaak geprobeerd om weg te gaan. Soms ging het even goed, andere keren heeft hij me mishandeld. Maar mijn broers hebben zo makkelijk praten. Die weten niet hoe het is om te houden van iemand die niet klopt. Ze kunnen zich niet voorstellen dat je steeds hoopt dat alles anders is. Je houdt je vast aan kleine tekenen van hoop. Maar nu pappa er niet meer is, is er niet veel hoop meer. Ik ben nu even erg alleen.’
Hij zag een traan over haar wang lopen. ‘En je moeder?’, vroeg hij.
‘Mijn moeder is overleden toen ik een klein meisje was. Pappa heeft ons alleen grootgebracht. Hij wilde na mamma nooit meer een andere vrouw.’
‘Dus nu ben je op weg naar nergens?’
‘Ik ben op weg naar nergens’, zei ze.
Ze zaten lange tijd zwijgend tegenover elkaar. Hij vroeg zich af hoe het zou zijn als hij met haar bij zijn moeder op de proppen kwam. Zou ze daarna mee naar zijn huis gaan?
‘Ik ben zwanger’, zei ze. ‘Niemand weet het nog, nou ja, behalve jij dan. Ik had het mijn vader willen zeggen. Iedereen zal zeggen dat ik me moet laten aborteren, maar mijn vader zou me gesteund hebben. Zelfs mijn broers, hoe Christelijk ze ook op bepaalde momenten zijn zouden ineens voor abortus zijn in mijn geval. Ik ben zwanger van een man die niet klopt. Ik wil niet zwanger zijn bij die man, maar het is wel mijn kind in mijn buik. Niemand gaat het van me af nemen.’
De trein kwam tot stilstand en hij maakte aanstalten om uit te stappen. Hij twijfelde. Ze keek uit het raam. Hij had zijn jas al aan en vroeg: ‘Ik ga naar mijn moeder. Ik vier met mijn moeder kerstavond. We kijken naar de kerstmis. Heb je zin om mee te gaan?’
Ze huilde. Ze maakte geen aanstalten om op te staan. Hij pakte haar bij haar arm. ‘Kom, we gaan naar mijn moeder. We gaan vieren dat er lang geleden geen plaats was voor Maria. Hij nam haar rugzakje dat naast haar stond. Hij hield haar stevig vast op het spekgladde perron. Hij voelde haar warmte.
‘Kom, droog je tranen’, zei hij.
24 december 2000 – Leo Burger