Wat bedoelt de schrijver met …

Ik heb slechts weinig onderwijs genoten, veel te weinig, want ik zou het liefst van alles wat willen weten. Maar het onderwijs in deze streek is al lange tijd een nare zaak. En in andere streken is het al niet veel beter. Met een beetje geluk leer je goed rekenen, lezen  en foutarm schrijven. Daarnaast wordt er een hoop overbodige maar vooral verwarrende vuilnis aangeboden waar je later weinig aan hebt omdat de wereld razendsnel verandert en de oude feiten (die op de keper beschouwd zelden feiten bleken) achterhaald worden. Ik heb me laten vertellen dat men tegenwoordig eigenlijk zelfs niet meer goed rekenen en taal onderwezen krijgt zodat, als je een vervolgopleiding wilt doen, eerst bijspijkerles moet volgen.

Zo gauw ik de kunst van het ontraadselen van geschreven taal meester was trok ik me, wanneer het maar even ging, terug in de boeken welke gewoonte me alles bij elkaar heerlijke uren bezorgde. Kwartiertjes die ik over had tussen de middag voerden me naar werelden die zich ontvouwden terwijl mijn ogen over de regels gleden. Ik zal ongetwijfeld door deze gewoonte weleens te laat op school zijn aangekomen of haastig hebben moeten lopen om te voorkomen dat dit gebeurde. Daarvan zijn me amper herinneringen bijgebleven. Wel heb ik nog herinnering aan het gevoel van dat lezen. Het voelde goed.

Ik realiseerde me in het begin amper dat elk verhaal dat ik las bedacht was door iemand. De verteller was ikzelf terwijl ik las. Later las ik een boek waarin elk hoofdstuk begon met (bij wijze van voorbeeld): ‘Hoofdstuk 5 waarin Parel de Slak een geheim doorvertelt, het Konijn een bekentenis doet en meneer Kikker leert waterskiën.’ Deze manier van introduceren van een nieuw hoofdstuk opende een nieuwe dimensie bij het proces van lezen voor me. De stukjes waarbij van te voren precies verteld werd wat er komen ging  deed me realiseren dat er een almachtige verteller was die machtiger was dan ik, jong lezertje. Iemand die me vooraf wist te vertellen wat er ging gebeuren voordat ik het zelf ontrafelde. Was ik voorheen alleen in mijn wereld van woorden en beelden, nu was er iemand bij me. Die iemand die bij me was is daarna nooit meer weggegaan. Dat is logisch natuurlijk, zodra je als jong lezertje erachter komt dat iets geschreven moet zijn voor het gelezen kan worden is er een deur van Het Grote Weten opengegaan en zo’n deur gaat nooit meer dicht.

Later kreeg ik te maken met het fenomeen ‘tekstverklaren’. Dat was jaren later net voor ik er de brui aan gaf en te vroeg het echte leven in stapte zonder mijn school te hebben afgemaakt. Ik had in de tijd een jonge enthousiaste leraar Nederlands die er op zijn manier alles aan deed om ons bij de les te houden. Aan hem heeft het allemaal niet gelegen. In het leerboek stond een stuk tekst en de betekenis moesten we dan aan de hand van een paar vragen verklaren. Ik vond de vragen onder het kopje ‘Wat bedoelt de schrijver met…’ altijd stupide en ik voelde me gegeneerd om er echt antwoord op te geven. Er bleek uiteindelijk altijd maar één antwoord het goede te zijn, want die stonden voorgedrukt in het exemplaar waar de leraar over beschikte. Ik vond die ‘correcte’ antwoorden in zekere zin onbegrijpelijk of te genant omdat ze zo simpel waren.

De moderne leraar Nederlands liet ons elkaars werk nakijken met een kopie van de bladzijde uit zijn boek met goede antwoorden. Als ik er al voor zou zitten gaan zijn om een paar briljant bedoelde antwoorden te verzinnen had ik me niet kunnen voorstellen dat een van mijn klasgenoten die mijn blaadje aan het nakijken was hier plezier aan beleven zou. Dus kwam er van deze briljante antwoorden niets en maakte ik spoedig in het geheel geen huiswerk meer.

Op mijn zeventiende kwam ik in een verpleeghuis voor demente bejaarden te werken. Mijn simpelste collega’s deden daar het beste werk en ik waste mijn eerste verschrompelde lijk voor ik achttien was. Ik deed alsof het lachen me niet vergaan was. Later heb ik nog wel wat onderwijs genoten en ben ik zelfs gekwalificeerd om les te geven. Maar ja, wat stelde dat nou eigenlijk voor? Was dit niet alles bedoeld om mijn vader uiteindelijk te kunnen zeggen: ‘Zie je nu wel dat ik echt niet achterlijk ben.’ Maar mijn vader was niet meer bij de les.

Wat ik als schrijver hier allemaal mee bedoel? Ik zou het niet weten, het schoot me allemaal in deze volgorde te binnen.