Tolberg was een schrijver. Tenminste, zo noemde hij zichzelf. Alleen andere onbekende schrijvers weten hoe taai het is om een onbekende schrijver te zijn. Elke ochtend stond hij vroeg op, verzorgde het ontbijt voor zijn vrouw die naar haar werk ging en daarna zat hij aan zijn computer te wachten totdat de muze hem wat zou influisteren.
Dagen, weken en maanden gingen voorbij terwijl de muze knorrig zweeg. Tenminste dat dacht Tolberg, want elke nacht fluisterde de muze de mooiste ideeën in zijn oren, maar ze werden niet gehoord door hem. Hij begon keer op keer aan een nieuw verhaal maar aan het einde van de dag, als hij aan het koken was voor zijn vrouw, had hij het resultaat van de arbeid van die dag verbannen naar de woestijn vol karkassen van andere mislukte verhalen.
Er was een tijd, misschien al twintig jaar geleden, dat Tolberg schreef en zijn verhalen verkocht. Dat was de tijd dat hij de muze hoorde zonder dat hij wist dat het de muze was. Maar het waren niet de verhalen die Gewichtige Grote Schrijvers maakten en dat knaagde aan hem. Als hij ging schrijven dan ontstond er altijd een eenvoudig sprookje. Een modern sprookje, dat wel, maar toch niet meer dan een eenvoudige vertelling.
Op een dag, ook al lang geleden, wilde hij niets meer weten van al die eenvoudige verhalen. Zijn vingers weigerden dienst en hij stopte met schrijven. Hij zocht een gewone baan met gewone collega’s en hij probeerde het idee te vergeten dat hij een schrijver was. En zo leek hij jarenlang op een gewoon mens. Af en toe herinnerde iemand hem eraan dat hij ooit een schrijver was geweest, maar hij wimpelde de aandacht af voor een periode in zijn leven die hij als mislukt beschouwde.
Hij deed belangrijke dingen in zijn baan, tenminste anderen vonden die dingen belangrijk. Maar er was geen dag dat hij zo tevreden was als in die tijd die steeds verder achter hem lag toen hij nog eenvoudige verhalen schreef. Als een mens kan niet altijd maar doorgaan met het doen van dingen waar hij ontevreden mee is. Tolberg probeerde elke dag die hij meemaakte zo snel mogelijk te vergeten en hij vreesde voor elke nieuwe dag.
Op een dag werd hij ontslagen en had hij alleen nog lege dagen. Maanden gingen voorbij dat hij zich nutteloos en overbodig voelde in een wereld die druk met zichzelf was. In wanhoop probeerde hij weer schrijver te zijn. En zo zijn we bij het punt aanbeland dat Tolberg keer op keer zijn schrijversarbeid deed en hij dacht dat de muze hem niets influisterde. Hij ging in de ochtend zitten en typte en typte, bladzijde na bladzijde en dan bereidde hij de avondmaaltijd voor zijn vrouw.
Bij de maaltijd informeerden ze naar elkaars belevenissen van de dag. Zijn vrouw vertelde over haar belevenissen in het ziekenhuis waar ze werkte. Zijn vrouw zag zijn worsteling als hij vertelde van zijn moeizame vorderingen die in zijn ogen steeds minder voorstelden. De onbetaalde rekeningen stapelden zich op en spoedig zou de dag aanbreken dat hij zijn schrijfpogingen zou moeten opgeven en weer een baantje zou moeten nemen.
Er zijn weinig mensen die zich kunnen voorstellen hoe het is om een mislukte schrijver te zijn. Tolberg stelde zich voor hoe hij in een supermarkt zou werken of als postbode en ongemerkt vroeg hij zich af of de dood een beter alternatief zou zijn. Op een ochtend bleef hij, geheel tegen zijn gewoonte in, op zijn bed liggen toen zijn vrouw naar haar werk ging. Hij lag met zijn ogen open, bijna zonder gedachten, naar het plafond te staren. Hij haatte het idee om weer een dag vruchteloos achter zijn computer plaats te nemen en bleef liggen.
‘Rottige muze, wat doe je me aan’, sprak Tolberg tegen het plafond. ‘Ik zit me weken in het zweet te werken en alles is waardeloos wat ik schrijf. ‘Waarom is succes en inspiratie zo grillig en ongrijpbaar?’
Je kunt een hoop van de muze zeggen, maar niet dat ze harteloos is. Ze had hem kunnen laten stikken, ze had immers elke nacht influisteringen gedaan en nooit had Tolberg geluisterd. Maar nu hij in wanhoop verkeerde, stond hij open en er kwam ineens een beeld in hem op dat niet meer kon wachten. Hij moest het gaan opschrijven. In hem zat ineens een kant en klaar verhaal. Hij stond fluitend onder de douche en danste hij de trap af naar beneden waar hij de laptop aanzette en koffie maakte.
Tolberg schreef en schreef. Hij hoefde er verder niet bij na te denken, alles liet zichzelf schrijven. Het restje ochtend en de middag vergleed terwijl Tolberg geen besef van tijd meer had. Toen zijn vrouw met de fiets de tuin in kwam zag ze hem zitten en ze besefte dat er iets veranderd was. Hij keek met glinsterende ogen verbaasd omhoog en besefte dat hij totaal vergeten was om te koken. Zijn vrouw zag dat de moedeloosheid, waar ze zich zoveel zorgen om had gehad, uit zijn ogen verdwenen was. Ze streek hem door zijn haren en maande hem verder te schrijven terwijl zij iets te eten maakte.
Hij schreef die avond en hij schreef in de nacht en toen zijn vrouw ontwaakte voor een nieuwe werkdag had hij het ontbijt gereed en maakte zich klaar voor verder schrijven. Na dertig uren schrijven had hij eindelijk zijn werk af. Hij deed boodschappen en toen zijn vrouw weer thuiskwam stond het eten als vanouds weer op tafel en was er ook een glas wijn.
Na het eten gaf hij haar het verhaal en liet het haar lezen terwijl hij zelf een wandeling maakte waarbij hij zich ongerust afvroeg hoe het verhaal zou overkomen. ‘Ze vindt het vast waardeloos, of misschien toch niet, of toch wel. Het is tenslotte niet meer dan een eenvoudige vertelling.’ Hoe dichter hij het huis weer naderde was hij er vaster van overtuigd dat het allemaal niets voorstelde.
Maar zijn vrouw had tranen in haar ogen toen ze hem omhelsde bij zijn binnenkomst. ‘Het is zo vreselijk mooi. Ik wist altijd dat het je weer zou lukken.’ Tolberg was opgetogen, maar tegelijkertijd ook angstig. Stel dat het me hierna niet meer lukt, stel dat dit de enige dertig pagina’s zijn die ik schrijf die de moeite waard zijn?’ ‘Lieverd, er zijn mensen die nooit een pagina schrijven die de moeite waard is, en jij hebt er hier al dertig.’
Die nacht lag Tolberg nog lang wakker, ondanks dat hij de nacht ervoor helemaal niet geslapen had. Zijn hoofd was leeg, zijn bestaan voelde weer zinloos aan in een angstig besef dat hij misschien nog drie of achtduizend nachten in zijn bed zou liggen zonder dat hij weer iets zou schrijven dat de moeite waard was. Kon hij alleen maar gelukkig zijn als hij een verhaal aan het schrijven was en kon hij niet genieten van het behaalde resultaat?
Op dat moment bezocht de muze hem en fluisterde al de dingen die ze altijd al tegen hem fluisterde. Zijn hoofd voelde ineens als een schatkamer waar de verhalen als rijpe appels klaar hingen om geplukt te worden. Hij wilde bijna uit zijn bed springen om meteen aan de arbeid te gaan, maar hij besefte dat hij wel moest gaan slapen en hij was er van overtuigd dat die appels er morgen ook nog hingen. Hij viel en slaap en sommige appels verdwenen en anderen kregen juist meer kleur, alsof het de muze was die de boomgaard van de inspiratie persoonlijk bewandelde.
De volgende ochtend klapte Tolberg zijn laptop open en begon hij te schrijven nog zonder dat hij wist wat hij zou gaan schrijven. Maar het begon en ging door, een dag, twee dagen en verder en door. In anderhalve week had hij een gids geschreven. Een gids met tien gouden regels voor succes, gegoten in een simpel verhaal. Hij begon hard te lachen toen hij zag wat hij nu eigenlijk geschreven had. Het was grappig en luchtig geschreven, maar alle regels leken precies hun doel te raken en Tolberg besefte als hij volgens de regels zou gaan leven die hij zojuist had voltooid, zijn leven er meteen anders uit zou zien. De muze had hem een wonderbaarlijke streek geleverd. En ook daarom moest hij lachen. ‘Ik schrijf dit niet voor niets’, zo zei hij tegen zichzelf, ‘ik ga leven volgens deze regels en dan kijken we of het werkt.’
Je moet hierbij weten dat Tolberg nooit gedacht had hij een dergelijke gids zou schrijven, in tegendeel, hij had dergelijke werkjes altijd als humbug of, erger nog, als bedrog gezien dat eenvoudige mensen misleiden zou.
Maar vanaf het moment dat hij de tien regels in praktijk begon te brengen, veranderde er veel. Helemaal toen hij zijn ‘Gids voor Succes’ begon aan te prijzen bij een uitgever. Het contract was zo getekend en zodra het voorschot en de royalty’s verscheen, verdween de stapel rekeningen.
Tolberg kwam op party’s, Tolberg knipte linten door, Tolberg kwam op televisie en Tolberg sprak voor de radio. Je kon nergens komen of overal zag je die kop van Tolberg en hoorde je zijn stem. Tolberg op de billboarden, Tolberg in de krant, Tolberg in de metro en Tolberg in de armen van een vrouw.
Wat? Tolberg in de handen van een vrouw? Nee, nee, dat gebeurde niet, maar het had kunnen gebeuren. Er is blijkbaar niets zo aantrekkelijk voor een vrouw als een man met succes en aanzien. En beiden had Tolberg nu de verkoop van zijn ‘Gids voor Succes’ in eigen land de miljoen naderde en buitenlandse uitgevers vette contracten gingen sluiten. Er is niets meer opdringends te bedenken dan een vrouw die haar zinnen heeft gezet op een man met succes en aanzien. In de metro werd hij herkend en moest een jonge aanhangster bijna met geweld van zijn lijf worden gehouden. Toen hij van haar wegliep, schreeuwde ze het uit als was ze een gewond dier dat voor altijd alleen gelaten werd.
Die nacht kon hij de slaap niet vatten. Hij zag de jonge vrouw voor zich die hij schreeuwend achter zich gelaten had. Hij zag voor zich hoe zijn bestaan zo luidruchtig was geworden dat hij zichzelf niet meer kon horen, laat staan de muze. Want de muze fluisterde hem nog elke nacht in met haar verbazingwekkende invallen. Hij had het niet eens gemerkt, zo druk was het om een bekende van iedereen te zijn. Sinds zijn ‘Gids voor Succes’ had hij niets meer geschreven. Alles leek weer zo zinloos als altijd tevoren en hij dacht weer aan de dood. Midden in de nacht herlas hij zijn eerste verhaal waar zijn vrouw tranen in de ogen van gekregen had. Het was een verhaal met een ziel. Een ziel die alleen maar in een verhaal kan zitten dankzij de muze. ‘Muze, wat moet ik doen?’ Zijn vraag was oprecht en eenvoudig. Nog een keer vroeg hij, midden in de nacht: ‘Muze, wat moet ik doen?’
Op dat moment nam de muze zijn hoofd in haar armen. Tolberg voelde dat niet echt, want een muze zie en voel je niet, dat weet iedereen die met de muze te maken heeft, maar hij voelde wel een enorme rust over zich komen. Hij zou niets anders meer doen dan hij jaren had willen doen. Knus in zijn huis zijn, samen met zijn vrouw en schrijvend aan zijn verhalen.
Hij ging weer naar bed en de muze maakte dat hij met haar danste in zijn droom. Nooit dacht Tolberg meer aan de dood tot deze hem kwam halen. ‘Tolberg’, zo sprak de dood, ‘het is je tijd. Ik kom je halen.’
Tolberg dacht aan het verhaal waar hij aan bezig was en dat nooit af zou raken als hij nu verdwijnen zou. ‘Geef me nog een paar dagen Dood’, zo vroeg hij, Ik ben echt bijna klaar. Het is zo onverdraaglijk als mijn verhaal niet leven gaat.’
De Dood keek en hem aan en zag de begeestering in zijn ogen en wat de Dood eigenlijk nooit deed, deed hij nu wel, hij streek zijn hand over zijn hart en verdween.
Tolberg schreef en schaafde aan zijn verhaal en begon onderwijl aan een nieuw verhaal. De Dood kwam weer bij hem op een nacht dat het een na laatste verhaal af was en weer vroeg Tolberg om hem tijd te gunnen. De Dood zuchtte en weer verdween hij zonder Tolberg met zich mee te nemen.
‘Wat was dat schatje’, mompelde de vrouw van Tolberg die half wakker werd. ‘Het is niets lieverd, ga maar weer slapen. Ik leg het allemaal nog wel aan je uit.’ En zo begon Tolberg steeds weer aan een nieuw verhaal nog voor het oude af was om de Dood te slim af te zijn. Dat duurde honderd verhalen lang.
Toen, op een nacht kwam de Dood, en Tolberg wilde zeggen dat hij nog steeds doorging. Maar de Dood legde hem met een klein gebaar het zwijgen op. ‘Ik kom niet voor jou, maar voor je vrouw. Het is haar tijd. En je hebt geen argumenten om me daar van te weerhouden.’ Tolberg ging overeind zitten. ‘Maar zonder haar heeft het geen zin om door te gaan voor mij. Meer nog dan voor mijn verhalen leefde ik voor háár.’ Majestueus maakte de Dood het gebaar. Hij noodde Tolberg zijn vrouw te volgen. Tolberg had een glimlach op de lippen toen ze in elkaars armen stierven. Hij wist dat het leven door zou gaan in zijn verhalen.
© 2009 Leo Burger