Tarantula

Ik had honger. Als ik niet snel iets zou eten, dan zou het niet meer lang duren of ik ging stenen eten om in ieder geval iets in mijn maag te hebben. Ik zeg stenen eten, maar eigenlijk bedoel ik gewoon dat ik iets zou gaan stelen. Ik zat met mijn rugzak naast de fontein op het dorpsplein toen ze bij me kwam staan. Ik verstond niet wat ze zei, maar ze hield aan. Toen maakte ze het internationale gebaar voor ‘eten’. De vrouwen van dit land kunnen op de meest smakelijke manier het gebaar ‘eten’ maken waarbij het water je meteen in de mond loopt. Ik knikte: ‘Ja, da, yes, jawol, si, eten, zeer erge honger’.

‘Ollanda?’ Had ik zo mijn best gedaan om mijn afkomst te verbergen sinds ik me zo schaam voor mijn land, ruiken ze toch nog waar ik vandaan kom. Later maar eens vragen hoe ze dat meteen wist. Eerst vragen wat er te eten is voor nul euro. Ik haal mijn zakken binnenstebuiten in het internationale gebaar van ‘geen geld’ en daarna wrijf ik met mijn hand over mijn maag in het wereldwijd erkende gebaar van ‘zeer lege maag’.

In een paar woorden hedendaags Lingua Franca, op de manier waarop ze het uitsprak meende ik op de maken dat dit de helft van de woordenschat was die ze er in rijk was, maakte ze me duidelijk dat ze een ruil wilde. Ik moest met haar trouwen en dan kreeg ik van haar te eten. Ik lachte. Natuurlijk, ‘ik trouw jou’ en dan ‘jij mij geef eten’. Om te beseffen dat ik niet anders kon denken dan dat het een grap was moet ik zeggen dat ze jong, sappig en zeer mooi was. Een verschijning waarvan jongens op scooters tegen lantaarnpalen botsten omdat ze vergaten voor zich te kijken, waar een lamme van ging staan en meer van die dingen. Ik bedoel, het kon niet anders dan een grap zijn dat ik in ruil voor een maaltijd met haar in het huwelijk moest treden. Dus knikte ik gretig ja. Ze pakte me bij de hand en loodste me weg van het gekrioel op het dorpsplein.

‘Dit is een leuk verhaal om thuis te vertellen’, dacht ik bij mezelf, ‘vermits je een thuis hebt.’ Sinds de politieke omwenteling in het ‘thuisland’ voelde ik me stateloos. Mijn familie en vrienden waren allemaal verdwaasd en het was er niet pluis. Ik was dus gewoon een vluchteling zoals er wel meer waren en dan is het nog idioter om te bedenken dat hier in het uiterste zuiden van het continent een beeldschone verschijning met me zou willen trouwen in ruil voor eten. Ik verwachte misschien in een keuken bij een ‘mama’ terecht te komen die hoofdschuddend zou kijken wat dochterlief nu weer naar huis had gesleept, maar ik stond even later voor een bureautje waar een soort burgemeester en een priester al klaar stonden om ons in de echt te verbinden. Mijn paspoort werd bestudeerd en in een la gelegd. Men zegt wel eens dat de bureaucratie in deze landen traag is, maar als het om liefde, eer en huwelijk gaat, dan gaat het razendsnel, dat kan ik je verzekeren. Tenminste, om een verbintenis aan te gaan. Om de verbintenis te verbreken is een ander verhaal. De snelste manier om dat te doen vertel je niet na, dus dat is niet aanbevelenswaardig. Dus was ik getrouwd nog voor ik de maaltijd had. Dat had ik een kwartier eerder niet kunnen bedenken.

Nadat de voornaamste formaliteiten afgewikkeld waren in de vorm van geld dat mijn bruid aan beiden toestopte, handtekeningen en wat stempels van de beambte en een zegenend gebaar van de priester nam ze me mee naar een restaurant dat duidelijk, aan de spinrag en het stof te zien, een jaar of langer gesloten moest zijn geweest. Ze zette me aan een tafel en maakte het formica schoon en dekte voor twee. Ze maakte een gebaar van ‘wachten’ en ging naar achteren waar ik de keuken vermoedde. Niet veel later kwam ze terug met een dienblad waarop een schaal spaghetti en wijn stond. ‘Acclamazioni’, zei ze terwijl ze het glas hief. Ik hief ook het glas en probeerde haar na te zeggen: ‘Acclamazonio’. Ze lachte maar verbeterde me niet, ze wees op de schaal: ‘Avanti’. En zo at ik mijn eerste maal sinds dagen en ik begon me bij elke hap beter te voelen. Een mens kan heel lang zonder een fatsoenlijke maaltijd, maar op een gegeven moment is de batterij leeg en dan kun je niet meer helder nadenken. Dat moment was gekomen toen ik daar bij de fontein op het dorpspleintje had gezeten.

Ik werd de andere dag wakker in een schoon bed. De zon scheen in streepjes door de jaloezieluiken en het duurde even voor ik me realiseerde waar ik was. Ik was in een hotelkamer. Ik had de dag ervoor gegeten en gedronken, wijn zelfs. En. Oh ja, ik was getrouwd gisteren in ruil voor het eten. Ik zat meteen rechtop. Getrouwd in ruil voor eten? Ik moest het gedroomd hebben, zo’n hongerhallucinatie waar iemand vast wel van gehoord had. Ik lag in een eenpersoonsbed, helder kamertje met wasbakje en een klein tafeltje met stoel voor het raam. Niet de bruidssuite zal ik maar zeggen.

Ik schoof uit bed, friste me op bij het wasbakje en trok mijn versleten plunje aan die keurig over het stoeltje gedrapeerd lag. Ik kon me helemaal niet herinneren hoe ik de dag ervoor in bed beland was, maar ik voelde me fris, dus het was niet een zwaar vergif waarmee men mij had platgelegd. Ik hield het op de wijn die in mijn uitgehongerde lijf flink huisgehouden had. Beneden aangekomen zette mijn bruid brood, boter en beleg voor me klaar en maakte koffie. Ik wilde wat zeggen, maar ze was verdwenen direct nadat ze het had neergezet. Dus at ik het ontbijt alleen en in stilte. ‘Wat werd er van me verwacht?’, zo vroeg ik me af, en: ‘Ik weet niet eens haar naam.’

Nadat ik klaar was kwam ze de boel afruimen en wenkte dat ik mee moest komen. Ik liep achter haar aan door de nauwe steegjes die weldra ondraaglijk heet zouden zijn, maar waar het nu in de morgen nog goed te doen was. Vrouwen hingen uit het raam en praatten met vrouwen op straat en andere vrouwen die uit het venster hingen. Hoewel het een klein dorp was en men wist dat ik een vreemde was, mogelijk wist zelfs iedereen dat ik gisteren met de jongedame die nu voor me liep getrouwd was, leek niemand acht te slaan op ons. We kwamen bij een kleermaker die ons zwijgend binnenliet en achter ons de deur van zijn nering op slot draaide. Mijn ‘bruid’ verdween door een deur achter in de winkel en ik stond alleen bij de kleermaker die me met een verholen walging gebaarde dat ik mijn plunje uit moest trekken. En zo betrad ik niet veel later als heer met zwierige hoed weer de straten van dit dorp waar ik de naam niet van kende, samen met mijn jonge bruid waar ik de naam niet van kende op weg naar een toekomst die ik niet kende. De kleermaker had mijn oude plunje door een jongetje laten weghalen. Mijn bruid leidde me weer terug.

Even later zat ik voor het restaurant annex hotel waar dit avontuur minder dan een etmaal geleden begonnen was. Voor de zaak stond inmiddels een clubje werklui te wachten op onze komst. Ik kreeg kleine eervolle buiginkjes terwijl mijn jonge bruid iedereen aan het werk zette. Ik werd onder een parasol voor de zaak neergezet en van water en koffie voorzien terwijl achter me een hels kabaal duidelijk maakte dat de zaak verbouwd werd. Airconditioning, nieuwe ijsmachine, nieuwe keukeninrichting en nieuw meubilair zag ik aan me voorbijkomen terwijl het naar binnen, en puin en oude inventaris naar buiten gesleept werd. Af en toe kwam mijn bruid naar me toe en kirde tegen me alsof we geliefden waren. Tijdens de rust in de middaghitte wandelden we naar een plek waar we zicht hadden over de vallei waar hier en daar op de heuveltop een ander dorpje lag te zinderen in de ongenaakbare hitte. Ze, mijn bruid, hield een grote lichtgele parasol boven ons hoofd en ze klapte deze pas weer in toen we in de schaduw van de bomen gingen zitten op het gras aan de rand van ‘ons’ dorpje. Ze had gedienstig een kleed neergelegd zodat er geen vlekken op mijn goeie goed kwamen. Zwijgend keken we uit in de verte. Dit leek me het moment om te achterhalen wat haar naam was en wat er van mij verwacht werd. Ik wilde wat gaan zeggen, maar ze hield haar vinger voor haar lippen om duidelijk te maken dat ik moest zwijgen. Dus zweeg ik en keek naar de weg door de vallei waar ik gisteren met mijn bepakking gesjokt had in de hete zon en waar ik aan het einde van mijn latijn was, denkend dat door honger, dorst en hitte het mogelijk was dat mijn laatste uur weldra zou slaan. Nu zat ik hier en het enige wat ik voor eten en drinken leek te moeten doen was minzaam zwijgen. ‘Sempre’, zei ze, terwijl ze op me wees en weer met haar vinger op haar lippen drukte. Sempre, dat wist ik nog wel, dat betekende ‘altijd’. Ik moest altijd zwijgen.

En zo zweeg ik en deed wat er van me verlangd werd terwijl om me heen het restaurant, dat de eerste dag zo’n vervallen en verstofte indruk had gemaakt, opgekalefaterd werd. Er werd een nieuwe naam in gifgroene neonletters aangebracht: ‘Tarantula’. Mijn bruid nam personeel aan, er kwamen klanten om te eten en een enkele keer werd er door verdwaalde toeristen een overnachting gedaan. De bovenste etage was van ons, dat wil zeggen, de linkerkant was van mij en de rechterkant was van haar. Niemand anders kwam daar. Ik kwam niet op haar deel, maar zij kwam als het haar dat zo uitkwam wel op mijn deel. Ze eiste een strikte discipline op het gebied van schoonhouden en opgeruimd houden van mijn deel van de etage en controleerde dat ook. Hoe haar kant van de etage eruit zag weet ik tot op de dag van vandaag niet.

Er is me wel gevraagd of ik nergens een telefoon of een internetaansluiting zag. Ik heb dat niet gezien. Ik was er niet naar op zoek, wie had ik moeten bellen, wie had ik moeten e-mailen? Ik wende aan mijn geregelde leven waarbij mijn ontbijt geserveerd werd als ik beneden kwam door het personeel dat me eerbiedig gereserveerd met ‘Capo’ aansprak. Er is me gevraagd of ik nergens televisie zag. Ik zag de televisie die aanstond in het restaurant. Er was voetbal op, veel voetbal en soms zwetende wielrenners en als dat er niet op was, dan was er een schreeuwerige show met veel pikant geklede dames. Het geluid stond meestal zacht of juist heel hard. In het ene geval verstond ik het niet, in het tweede geval maakte ik me uit de voeten omdat ik niet tegen geschreeuw op televisie kan. Niemand sprak tegen me en ik leerde hooguit de gebruikelijke frasen als ‘Caio, buona notte en grazie’, ik kreeg mijn middageten en mijn avondeten en mijn drinken als men zag dat ik er behoefte aan had. Op een bepaald moment waren er ineens een paar boeken in het Engels die ik van voor tot achter en andersom gelezen heb. Daarna kwamen er meer Engelse boeken.

Ik heb mijn bruid nooit met een vinger aangeraakt. Als ze het nodig vond raakte ze mij aan om aan de buitenwereld te laten zien dat we zeer innig waren. Ik zag het personeel wel kijken op een manier die veelzeggend was: ‘Wat een koele kerel, zit ze aan hem te plukken en hij geeft geen sjoege. Als ik in zijn schoenen stond…’ Ze had me echter zeer duidelijk gemaakt dat het zo moest blijven en dus bleef het zo.

Hoe de zaken precies liepen wist ik niet. Ik wist zelfs niet wat voor zaken er gedaan werden. Ging het goed? Ging het niet goed? Ik wist het niet. Het kwam regelmatig voor dat er ‘s avonds kerels langskwamen die zich te goed deden aan het eten, maar waaraan duidelijk te merken was dat het eten bijzaak was, voor zover eten in dit deel van de wereld bijzaak kan zijn. Ze kwamen voor andere zaken die ze met elkaar of mijn bruid bespraken. Ik heb niet vaak kunnen uitmaken of men vrienden was of niet. Men besprak soms op vriendelijke manier iets en dan bleek mijn bruid achteraf enorm boos te zijn, soms werden zaken op een in mijn ogen haast onbeschofte manier besproken en dan was mijn bruid in haar sas. Hoe ik dat wist? Ik zag het aan de manier waarop ze liep of waarmee ze de deur van haar deel van onze etage dichtdeed. Als ze hem dichtsloeg was het foute boel, als ze hem zachtjes dichtdeed en ze had een zachte uitstraling op haar gezicht, dan was alles oké.

Ik heb me maar één keer met de gang van zaken bemoeid. Ik weet niet eens meer heel zeker hoe dat kwam. Of eigenlijk wel een beetje. Het ging zo: Er kwam een man binnen, begeleid door een zwaar type. De man gedroeg zich neerbuigend tegenover mijn ‘vrouw’ en keek daarbij uitdagend naar mij. Ik weet tot op heden nog steeds niet waar het over ging, maar hier gebeurde iets waarbij ik, zo voelde ik instinctief, iets meer moest doen dan alleen de zwijgende buitenlandse echtgenoot spelen van ‘mijn vrouw’. Ik zag haar even naar mij kijken en in haar ogen las ik iets van ‘help me’, tegelijkertijd dacht ze, zo las ik in haar ogen, dat ze geen enkele hulp van mij te verwachten had. Ik stond op en de kleerkast die bij die vent was stond ook op. Ik naderde vriendelijk lachend het stuk geboefte dat mijn vrouw neerbuigend aan het behandelen was en pakte zijn servet. Ik veegde zijn mond af. Zowel de man als zijn lijfwacht waren stomverbaasd. Het toeval wilde dat aan een punt van het servet een veeg tomatenpuree zat waardoor er een rode streep op zijn lippen en wangen kwam.

De gasten en het personeel die nog in de zaak aanwezig waren lachten hem uit. De man duwde met een wild gebaar de servet die ik nog steeds voor zijn gezicht hield weg en stormde naar buiten. Ik zag de kok vragend naar me kijken en ik maakte een gebaar dat we allemaal gewoon weer aan het werk moesten gaan, maar blijkbaar vatte hij dat anders op, want hij snelde weg en kwam pas een uur later terug waarbij hij kort zijn hand op mijn schouder liet rusten en een knikje aan mijn vrouw gaf. Die avond gaf ze me een knuffel voordat ze haar eigen kant van haar etage opzocht. Ik zag dat ze zelfs even aarzelde, misschien stond ze op het punt om die nacht voor het eerst met mij enige intimiteit te hebben, maar ze herstelde zich en gaf me een vriendelijk knikje voor ze de deur achter zich sloot, zachtjes, heel zachtjes. Ik had dus instinctief iets heel goeds gedaan, maar wat wist ik niet precies.

In de dagen die erop volgden werd ik met nog meer egards door het personeel behandeld en groeide ik nog meer in mijn rol als altijd zwijgende, maar als het erop aankwam doortastend handelende ‘Capo’. Als ik voor de zaak zat werd ik ook meer en meer gegroet en langzamerhand leek het erop of ik helemaal bij het dorp hoorde en het dorp bij mij. Leveranciers kwamen en gingen en iedereen was vriendelijk en voorkomend, maar men wist dat ‘mijn vrouw’ de zaken voor me regelde omdat, zo schatte ik in, men dacht dat ik me ver verheven voelde boven de alledaagse gang van zaken.

De zomer ging, de herfst ging, de winter ging en de lente ging weer over in de zomer en ik begon steeds meer vrede te krijgen met mijn bestaan, zeker ook omdat ik de ellende kon vergeten van mijn geboortegrond. Ik had inmiddels al heel wat boeken en ik zocht heel vaak de plaats onder de bomen op waar ik uitzicht had op de vallei met de andere dorpen op de andere heuvels. En het was daar dat ik gearresteerd werd. Ik zal inmiddels zo’n vier jaar ‘Capo’ van de Tarantula geweest zijn. Het derde jaar kwam ik er pas achter dat mijn bruid Francesca heette. Maar ze verbood me haar bij deze naam aan te spreken.

Nu ik in voorarrest zit en onderwerp ben van de wildste speculaties heb ik keer op keer mijn verhaal verteld van mijn ontmoeting met mijn bruid die ik trouwde in ruil voor een maaltijd. Ik kwam berooid aan in ‘mijn dorp’ en had dus geen cent om een vervallen restaurant op te knappen of personeel in te huren. Dat iedereen denkt dat het geld van mij was vind ik niet zo vreemd omdat Francesca het aan iedereen deed voorkomen of het geld van mij was net zoals ze deed voorkomen dat alle zaken die ze deed uit mijn naam deed.

Ik snap ook niet waarheen Francesca verdwenen is op de ochtend dat de politie de tip kreeg dat ze me konden vinden onder de bomen en ik weet ook niet wie de anonieme tipgevers zijn die me van alles en nog wat beschuldigen. Ik weet alleen dat het verhaal wat ik hier opschrijf het hele verhaal is, hoe ongeloofwaardig het ook klinkt. Dat er geen bewijs is van het huwelijk dat ik met Francesca sloot zegt me niets. Ik weet dat ik door haar naar dat bureautje ben gesleept waar die beambte en die priester waren. Als die papieren later verdwenen zijn, dan ben ik daar niet schuldig aan.

Ik herkende de man waarvan me foto’s getoond zijn. Ik wist niet dat hij gedood was omstreeks de avond dat ik hem met een servet de mond rood veegde. Ik weet alleen dat hij neerbuigend deed tegenover mijn vrouw en dat ze met haar ogen mijn hulp zocht. Ik spreek geen woord Italiaans en ik begreep helemaal niet waarover het ging of wat er aan de hand was. Ik had geen idee dat het een machtige man van de onderwereld was. Ik begrijp uit de verhoren dat men denkt dat ikzelf een van de machtigste mannen ben, omdat ik een machtige man als hij kon laten ombrengen zonder dat er represailles kwamen.

Ik weet dat het allemaal ongeloofwaardig klinkt, maar ik kan geen ander verhaal opschrijven dan dat ik zojuist deed. Ik ben niet de ‘Capo’ van wat nu de ‘Tarantula-bende’ heet. Ik weet niets van de tientallen moorden, noch van de tonnen verdovende middelen die naar de USA zijn gesmokkeld. Het enige wat ik me kan bedenken is dat jullie de verkeerde zoeken. Ook al heb ik alle schijn tegen.

Ik ben volstrekt onschuldig.