Over Plastic Zakjes & Goed en Kwaad

We waren op de vlucht en hadden niets anders dan onze naam, de
kleur van onze huid en de kleren die we droegen. Nee, dat is niet
waar, we hadden ook veel tijd en onze verhalen. We moesten wachten
in het centrum. Vertrekken kostte niet veel tijd en je naam kon
dagelijks op het lijstje staan.
Ik zat overdag heel vaak op een bankje voor de slagboom en zag de
mensen met weinig tijd en heel veel spullen. Ze keken wel, maar ze
zagen me niet. ‘s-Nachts lag ik te staren in het donker. Ik fantaseerde
over hoe ik niet meer verdwenen was in de ogen van de mensen. Ik
wilde minder tijd en veel meer spullen.
Alles wat nodig was om niet dood te gaan dat kreeg ik, en ik mocht er
niet voor werken. En ik kreeg tijd, heel veel tijd. En die tijd, die greep
me ‘s-nachts en liet me stikken. Als je heel veel ademt omdat je stikt,
dan ben je aan het doodgaan. Doodgaan mocht niet in het centrum,
dus moest ik naar de dokter.
Ik wachtte tot ik binnen mocht. Ik sprak de taal van de tolk niet goed
en hij begreep niet goed dat ‘s-nachts de lucht voor mij verdween. De
blonde dokteres keek niet omdat ze zat te schrijven. Ik moest mijn trui
uit doen. Toen stond ze op en raakte ze me aan. Het was lang geleden
dat iemand me had aangeraakt. Daarna kreeg Ik een plastic zakje. Het
was leeg, er was geen medicijn. Ik begreep het niet.
Ik wilde niet dat ze om mijn domheid lachte dus keek ik slim. Ik wilde
dat ze zag dat ik slim en dankbaar was, maar de blonde dokteres was
weer aan het schrijven. Misschien heeft de tolk het haar gezegd dat ik
slim en dankbaar was. Maar nee, die tolk wilde niet goed over mij
spreken, dat had ik wel gezien. Die tolk deed of hij ook een dokter
was, hij zat ook te schrijven. Ik kreeg voor ik wegging nog wel een
papiertje waarop stond dat ik in het plastic zakje moest ademen als ik
het benauwd had. Ze wilden me misschien laten geloven dat het een
magisch zakje was. Op school hebben we geleerd dat magie dom is
en dat echte medicijnen beter zijn.
Ik ging naar mijn bankje. Naast me op het bankje zat, zoals zo vaak,
de oude blinde man. Hij was ook een vluchteling en hij sprak mijn taal.
Het leek me heel erg om blind te zijn en ik hoopte maar dat ik altijd
zou kunnen blijven zien. Ik probeerde hem te laten lachen door te
vertellen dat ik bij de domme dokteres was geweest die me een plastic
zakje had gegeven tegen de dood. Hij lachte niet. ‘Ach, wie weet is
lachen ook wel niet zo makkelijk als je blind bent’, bedacht ik me. Hij
zei nadat hij een tijdje stil was geweest: ‘Als je een knorrende maag
hebt moet je eten en geen stenen in je buik stoppen.’ Ik voelde
medelijden met de man. Hij was niet alleen blind, maar hij had ook
geen goed hoofd meer. Hij sprak dan wel dezelfde taal, maar toch
voelde ik me eenzaam.
Ik ging verder met het kijken naar de mensen die op straat voorbij
kwamen en hij luisterde naar de geluiden die in de lucht
voorbijkwamen. Ik wilde niet alleen altijd kunnen blijven zien, ik wilde
ook een goed hoofd blijven houden. Maar het was niet makkelijk om
goed te blijven denken als je van een blonde dokteres een plastic
zakje tegen de dood kreeg en als er oude mannen in je buurt zijn die
rare dingen zeggen die je niet kunt begrijpen.
‘Wat ik bedoel’, zei de man na een lange tijd, ‘is dat je de juiste dingen
moet doen’. Ik keek naar hem en liet mijn gedachten gaan. Ik was naar
de blonde dokteres gegaan omdat ik dood ging ‘s-nachts. Dat de
blonde dokteres me een plastic zakje had gegeven tegen het
doodgaan kon ik toch niet helpen? Of wel soms?
Waar ik vandaan kom, wordt er aan je geleerd dat oude mannen
moeten worden geëerd, want ze weten een heleboel. Zelfs mannen
die geen goed werkend hoofd meer hebben. Ze vertellen dingen waar
je toch naar kunt luisteren omdat ze gaan over de mensen die er al
lang niet meer zijn. Dus ik lachte de oude blinde man niet uit.
Ik vroeg me onderwijl af of de mensen die voorbijkwamen ook plastic
zakjes bij zich hadden voor het geval dat ze het benauwd kregen en
aan het doodgaan waren. Ik zag mezelf handelen in plastic zakjes
tegen benauwdheid en de dood. Als je niet zo’n zakje bij je hebt en je
bent aan het doodgaan, dan ben je toch blij dat er iemand is die net op
dat moment een zakje aan je verkoopt. Een van de regels van het
opvangcentrum is dat je niets nuttigs met je tijd mag doen, ook geen
handel in plastic zakjes.
Er kwamen schreeuwende jongens op scooters rondjes voor ons
rijden. Ze gooiden etensresten naar ons. Ik kon het ontwijken, maar de
oude blinde man kreeg het op zijn hoofd. Oude blinde mannen kunnen
niet snel lopen en ik wilde hem daar niet laten zitten. Ik nam hem bij
de hand en liep met hem achter de slagboom. De bewaker lachte ons
uit, maar hij stuurde de jongens op de scooters weg.
‘Het is niet erg voor ons’, zei de blinde oude man, ‘het is erg als ze
later nadenken over wat ze gedaan hebben.’ Ik zei niets, maar ik dacht
dat de jongens op de scooters alleen maar plezier zouden hebben als
ze eraan dachten.
Op een dag vroeg ik aan hem of hij het niet erg mistte om te kunnen
zien. Hij antwoordde dat zijn blindheid hem vrede met zijn bestaan gaf
en dat hij sindsdien veel beter zag dan ooit tevoren. Hij kon de zielen
zien van de mensen waar hij bij in de buurt was en dat, zo zei hij, is de
beste manier van zien die een mens kan hebben. ‘Ik had gewild dat ik
deze manier van zien altijd al had gehad’, zei hij.
De dood van een jonge verhalenverteller
De oom of vader van iemand waarmee je hier bevriend was kon de
ergste vijand van je eigen familie zijn. Dat doet oorlog met
medemenselijkheid. Niemand in het centrum vertelde daarom veel
over zichzelf. Toch vertelde de man over zichzelf.
‘Op een dag stond er een jonge neef voor me op de stoep. Zijn vader
was al jaren dood en nu was zijn moeder doodgegaan. Hij was
veertien jaar en wees. Hij vertelde dat zijn moeder, die een halfzus van
me was, hem mijn adres gegeven had. Ik wilde hem helemaal niet bij
me hebben. Ik had mijn geld ook zelf verdiend en had nooit mijn hand
bij een ander opgehouden. Toch liet ik hem binnen. Ik heb hem
afgeleverd bij een werkplaats van wie de baas nog wat geld van me
kreeg. Hij moest mijn neefje maar net zo lang voor hem laten werken
en in de schuur laten slapen totdat de rekening betaald was. Toen ben
ik weggegaan. Ik hoorde er een tijd niets van totdat die baas me
opbelde en zei dat die neef van mij nergens voor deugde. Hij hield
iedereen van het werk door alle verhalen die hij vertelde en hij stuurde
mijn neef naar me terug.’
‘Ik heb hem toen ongelooflijk hard geslagen met een stok en hem
daarna opgesloten in de kelder. Pas na dagen liet ik hem eruit. Hij kon
van al de stokslagen die ik hem gegeven had nog steeds niet goed
lopen. Toch keek hij me niet kwaad aan, zelfs niet eens verdrietig. En
dat, dat raakte me het meest. Als hij kwaad was geworden had ik
misschien gevonden dat ik alle reden had gehad om hem opnieuw te
slaan. En als hij zielig had gedaan had dat misschien weer nieuwe
woede opgewekt. Het enige dat ik in zijn ogen zag was een soort
medelijden met mij.’
‘Hierdoor raakte ik van slag. Ik gaf de bediende opdracht om hem te
eten te geven en een kamertje voor hem in te richten. Ik moest
gewoon wat tijd hebben om na te denken over het nut wat hij voor me
kon hebben. Zelfs de meest waardeloze hond kon op een gegeven
moment nog enig nut hebben, zo hield ik mezelf voor. Onderwijl ging ik
door met geld verdienen en ik kreeg met steeds meer belangrijke
mensen te maken. Ja, ook ministers zijn bij me op bezoek geweest. Ik
hield die jongen opgesloten in zijn kamer. Soms als ik gedronken had
haalde ik hem uit zijn kamer en dan sloeg ik hem weer. Met mijn
dronken kop dacht ik dan dat ik wel nut in hem kon slaan. Ik wist niet
hoe het kwam dat die jongen steeds het slechtste in mezelf naar
boven haalde. Elke keer had ik daarna spijt en liet hem daarna een
tijdje met rust. Maar als ik dan weer eens gedronken had kwam dat
slechte dier weer in me boven en sloeg ik hem.’
‘Ik had wel in de gaten dat iedereen die in het huis werkte me met
steeds meer afgrijzen begon te bekijken. Hoewel ik bijna geen gewoon
gevoel meer kon opbrengen voor andere mensen en blind was voor
hun ziel, zag ik wel dat iedereen in het huis steeds meer van die
jongen begon te houden en dat ze mij steeds meer begonnen te
haten.’
‘Op een avond was ik weer dronken en ik ging naar de kamer toe van
die knul. Maar de kamer was leeg en er was ook niemand meer in de
buurt die ik kon dwingen om me te vertellen waar hij was. Ik heb met
mijn stomme dronken kop alles in de kamer stukgeslagen wat er was.
De volgende dag, toen ik mijn roes uitgeslapen had, liep ik de gangen
door en zag hem in de hoek van zijn kamertje liggen. Blijkbaar was hij
nadat ik was gaan liggen weer teruggekomen.’
‘”Waarom ben je hier nog”, schreeuwde ik naar hem. “Waarom loop je
niet weg, waarom blijf je als een laf weerloos konijn bij me in de buurt.”
Toen antwoordde hij: “Omdat u me nodig heeft. Mijn moeder heeft me
gevraagd bij u te blijven. U bent uw ziel verloren ik kan proberen u uw
ziel terug te geven. Ik heb dat aan mijn moeder beloofd.”‘
‘Ik liep weg zonder wat te zeggen. Ik wist ook helemaal niet wat ik
moest zeggen. Maar die hele dag en alle dagen daarna bleef wat hij
gezegd had door mijn hoofd gaan. Het zat me in de weg bij alles wat ik
deed. Het was ongeveer in die tijd dat de militairen een staatsgreep
pleegden. Het ging onder het mom van een socialistische revolutie en
mijn bedienden verdwenen eerst uit het huis om later terug te keren
met de eis dat ik moest verdwijnen omdat alles van hen geworden
was. Alle machthebbers die ik smeergeld betaald had waren
verdwenen en ik was mijn leven niet meer zeker. Er werd geschoten in
de straten en iedereen kon straffeloos gedood worden. Juist mensen
zoals ik, mensen met geld en de verkeerde connecties liepen het
meeste gevaar.’
‘Het werd allemaal heel dreigend. De bedienden, die nu geen
bedienden meer waren maar de tijdelijke bazen, haalden een dronken
militair van de straat en ze stookten hem op om mijn kop eraf te
schieten. Op dat moment kwam mijn neef uit zijn kamertje gerend en
is voor me gaan staan. Hij heeft iedereen gesmeekt om mij te sparen.
De bedienden, die hem heel graag mochten lieten zich door hem
overhalen. Mijn neef en ik kregen de tijd om wat kleren te pakken en
uit het huis te verdwijnen.’
‘Overal op de straten was onveiligheid tijdens onze vlucht. De
militairen waren de greep op de gebeurtenissen kwijt geraakt. Op een
nacht, we sliepen in een geplunderde supermarkt, kwam er een bende
teenagers met wapens. We hebben ons een lange nacht verstopt,
maar in de morgen vonden ze ons. Ze waren stomdronken en onder
invloed van drugs. Mijn ogen werden kapot gemaakt, met geen andere
reden dan sadistische pret en mijn neef werd meegenomen. Ik was
blind en zou daar zeker dood zijn gegaan als mijn neef die nacht niet
was teruggekomen met eten en drinken. Hij had gedaan alsof hij zich
bij die bende had aangesloten.’
‘We zijn toen verder gegaan op de onzekere reis naar veiligheid. Mijn
neef loodste me door de steden en dorpen. Hij redeneerde dat de
vroege morgen het meest veilig was om te reizen omdat de meesten
dan hun roes uitsliepen. Zo kwamen we stukje bij beetje dichter bij de
grens. In de middagen vertelde hij me verhalen. Ik had eigenlijk allang
de moed opgegeven. Maar doordat hij elke dag een ander verhaal
vertelde, die hij allemaal weer van zijn moeder had gekregen, werd het
dragelijk en wilde ik verder leven.’
‘Toen we bij de grens kwamen is het onuitsprekelijke gebeurd. Er
waren aan de grens militairen van de vredesmacht die wachten op de
order om binnen te trekken en de orde te herstellen. Mijn neef en ik
hebben een dag lang gewacht voor we de grens durfden over te
steken. Bij die oversteek is hij geraakt door een kogel en stierf. Hij had
het zo verdiend om het te halen en ik had het zo verdiend om daar
gedood te worden, maar het liep allemaal anders.’
‘Ik heb mezelf gehaat en ik heb zoveel wroeging gehad dat ik niet
meer dacht te kunnen doorleven. Maar elke keer weer herinnerde ik
me alle verhalen die die jongen aan me vertelde op onze vlucht. In
een van die verhalen was er iets gebeurd zoals met ons ook echt
gebeurd was. Het ging er in ieder geval over dat wroeging geen
enkele zin hebben. Dat zijn slechte dingen voor de ziel. Daar bewijs je
niemand een dienst mee. Daar komen alleen maar weer nieuwe
slechte dingen uit naar boven.’
Een nieuw leven
Het verblijf in het asielzoekerscentrum ligt inmiddels jaren achter me.
Ik heb heel goed de taal geleerd van mijn nieuwe land. Ik kan het
spreken, lezen en schrijven. Ik lees heel veel boeken van dit land en
ben de mensen hier goed gaan begrijpen. Ik moet nog wel lachen om
mezelf als ik denk aan mijn verbazing toen ik het plastic zakje kreeg.
Inmiddels weet ik dat dit vaker gegeven wordt. Het is tegen
hyperventileren. Als je hyperventileert, adem je te snel en dan krijg je
het steeds benauwder. Als je het zakje voor je mond houdt en er in en
uit ademt neemt de benauwdheid juist af.
De oude blinde man hoorde op een dag dat hij op de lijst was gezet.
Hij moest terug. Ik mocht blijven. Ik weet niet wat er van hem
geworden is. Oude blinde mannen hebben niet veel kansen in een
arm land. Ik pak alles aan in dit nieuwe land. Ik werk en ik ga naar
school. Maar het meest heb ik in de paar weken geleerd van die oude
blinde man. Hij opende mijn ogen voor mijn andere ik. Door verkeerde
dingen kun je je ziel verliezen. Maar je kunt je ziel ook altijd weer
terugvinden door de juiste dingen te doen. Ik heb het zakje van de
blonde dokteres nooit hoeven te gebruiken.
© 2008 Leo Burger