© 2009 Leo Burger
1
Op maandag en donderdagmiddag mocht ik sinds een maand of drie altijd een kwartiertje eerder weg van baas Harmsen van de drukkerij. ‘Ik hou ook van toneel’, zei hij altijd op die dagen. Dat kwartiertje had ik nodig om thuis mijn handen schoon te maken en de inkt onder mijn nagels vandaan te halen. Mijn moeder keek tevreden als ik met schone handen aan tafel zat en ik de indruk wekte dat ik mijn eten niet naar binnen schrokte.
Ik was twintig en werkte al bijna drie jaar in de drukkerij. Toneelavonden waren mijn deur naar een andere wereld. Ik hield van mijn werk in de drukkerij, had al van jongs af aan iets met drukkers en drukkerijen gehad, maar na drie jaar hoopte en droomde ik ook nog van iets anders. Maar bovenal, op de toneelavonden zag ik Fleur. Fleur was een medicijn waar een lamme van ging lopen en een blinde van ging zien.
Het had wat voeten in aarde gehad voordat ik lid mocht worden van de toneelclub. We praten hier van een andere tijd. Vooral mijn moeder was nogal gelovig en toneel was toch een voorportaal van de hel. Maar de tijden waren aan het veranderen en na een gesprek met de nieuwe voorganger ging mijn moeder overstag. Als ik naar het verenigingslokaal fietste, zag ik in een enkel huis het schijnsel van de televisie die schoorvoetend aan zijn opmars begonnen was.
Mijn verhaal begint op de avond toen we een nieuwe regisseur kregen. Hij kwam uit de grote stad en hij was duidelijk anders dan anderen. Er werd gefluisterd dat hij een flikker was, maar daar had ik geen weet van. Ik wist niet wat het was. Meteen bij zijn binnenkomst vulde hij de ruimte van voor tot achter en van boven naar beneden. Met een handgebaar stopte hij op slag het gekwebbel en had ieders aandacht. Ik weet tot op de dag van vandaag nog precies de woorden die hij gebruikte en welke dingen hij deed.
‘Zojuist heb ik mijn eerste voorstelling voor jullie gegeven. Ik heb niets anders gedaan dan dit zaaltje binnenstappen en heb mijn hand opgestoken. En meteen had ik jullie aandacht. Ik had op honderd verschillende manieren binnen kunnen komen. Maar ik deed het op de manier die ik zojuist deed. Ieder van jullie kan dit. Je kunt een meest eenvoudige gebeurtenis omtoveren in een dramatische handeling. Maar je kunt ook de meest dramatische gebeurtenis onttoveren en het laten verdwijnen in het niets.’
Hij keek ons allemaal, stuk voor stuk, doordringend aan: ‘Als je theater maakt, moet je willen betoveren.’ We zaten zoals gebruikelijk op onze stoeltjes in twee rijen achter elkaar. Ik zat rechts achteraan en keek naar mijn medeleden, maar mijn blik bleef hangen bij Fleur die op de rij voor me in het midden zat. Net als iedereen zat zij ademloos en wachtte af wat er verder ging komen. Onze verse regisseur stapte een meter of tien van ons vandaan en ging met zijn rug naar ons toegekeerd staan en vroeg: ‘Wie zou hier iets op willen zeggen?’ Hij bleef doodstil staan en wachtte af.
Het bleef misschien wel drie minuten doodstil tot iemand op de achterste rij giechelde. Niet veel later giechelden en lachten er meer. Er kwam geen enkele reactie van onze regisseur die nog steeds doodstil en met zijn rug naar ons toegekeerd stond. Na het lachen werd het weer stil, doodstil. Toen vroeg iemand fluisterend: ‘Wat nu?’ De regisseur riep, terwijl hij een hand aan zijn oor hield: ‘Ik versta u moeilijk, wat zei u?’ ‘Ik vroeg, herhaalde de vrager luider, ‘wat we nu gaan doen.’
De regisseur deed of hij met zijn hand boven zijn ogen een denkbeeldige verte in staarde: ‘Ik zie u nergens, toch hoor ik uw stem. Bent u een geest?’ De vragensteller verduidelijkte dat hij Garrits, de boekhandelaar uit de hoofdstraat was. De meesten van onze groep lachten om dit gevatte antwoord, maar ik keek ademloos toe. ‘Ik hoor uw stem, maar ik zie u niet.’ De regisseur liep een paar passen heen en weer en keek nog steeds in een denkbeeldige verte met zijn rug naar ons toe. Garrits keek om zich heen. Toen trok hij een gekke bek waarop wij allen lachten en ging naar voren en stond even later voor de kersverse regisseur. ‘Hier ben ik.’ Gelach. ‘Ah, u bent geen geest, u bent een mens van vlees en bloed. Wat ben ik blij u hier te zien. Er is’, de regisseur wees naar de denkbeeldige verte, daar niet veel te zien.’ ‘Je moet ook daar kijken, we zitten met z’n allen daar.’ We gierden het allen uit toen Garrits met zijn vinger achter de regisseur naar ons wees en weer een gekke bek trok. De regisseur draaide een halve slag om en riep uit: ‘Verdraaid kerel, ik zie dat u een heel leger heeft meegebracht. Wat geweldig.’ Hij deed een stap opzij en sloeg Garrits met een kameraadschappelijke klapje op zijn rug. ‘Kom, laten we ons bij uw manschappen voegen.’ We keken in stilte hoe Garrits en de regisseur zeer langzaam op ons afliepen.
Toen applaudisseerde de regisseur. Eerst in de richting van Garrits en toen in onze richting. ‘Bravo bravo’, riep hij. ‘We hebben zojuist een eenvoudige gebeurtenis omgetoverd in een dramatische handeling en we hebben met z’n allen meegedaan. We hebben plezier gehad en het was spannend omdat niemand precies wist wat er gebeuren zou. Dat is theater.’
De regisseur wees naar de plek waar hij en Garrits zojuist stonden. ‘Als ik daar naar toegelopen was en had naar jullie gekeken, dan was de betekenis heel anders geweest. Nu stond ik met mijn rug naar jullie en ik veranderde de gordijnen in een wijds landschap. Meneer Garrits werd ineens een verre boodschapper die ik eerst niet kon zien. Daarna veranderde hij in een kameraad en jullie ineens in een legergroep waar Garrits en ik ons gingen bijvoegen. Een plek kan veranderen door er een dramatische handeling aan toe te voegen.’
Toen pas stelde hij zich voor en vroeg aan ieder van ons waarom wij toneel wilden spelen. Ik was als laatste aan de beurt en vroeg me af welk antwoord ik wilde geven, zodoende ontging mij het antwoord van de anderen. Net voor we aan de koffie gingen hakkelde ik mijn antwoord. Het sloeg nergens op. Toen ik later naar huis fietste, bedacht ik tientallen manieren waarop ik een beter antwoord had kunnen geven. Maar gedane zaken nemen geen keer. Ondanks mijn teleurstelling in mezelf dat ik me niet op makkelijker wijze had geuit, was ik vol van de avond, over wat er gebeurd was.
2
De vader van Fleur was apotheker. Mijn vader werkte in de fabriek en dus kwamen zij en ik uit verschillende werelden. Alleen al om die reden was ze een onbereikbare droom. Zo was dat in die tijd waar ik het over heb. Als ik mijn moeder zou hebben verteld van mijn heimelijke verliefdheid, hetgeen ondenkbaar was, dan zou ze me zowel meewarig als opgelucht hebben aangekeken. Meewarig omdat een jongen van eenvoudige komaf een vergeefs oogje op een dame uit betere kringen had, opgelucht omdat het tussen ons niets kon worden omdat de apotheker onkerkelijk was.
Al op de lagere school had ik gevoelens voor haar en dat was nooit over gegaan. Zij had mij, zo geloofde ik, nooit opgemerkt. Toen ik eenmaal in de drukkerij werkte, was mijn leven anders geworden. Zij ging leren voor onderwijzeres en was een tijd in een andere stad bij familie. Ik kan nauwelijks beschrijven welke opwinding ik ervoer toen ik haar weer zag op de toneelavonden. Maar inmiddels was zij onderwijzeres en ik amper duvelstoejager af in de drukkerij. Dus mijn opwinding beleefde ik heimelijk als een stil genieten. Zo zit de mens in elkaar denk ik, dat er altijd hoop is op onmogelijke dingen die je niet eens onder woorden durft te brengen.
Nu ik dit zo vertel komt na al die jaren in me op waarom ik als jonge jongen iets met theater wilde, hoe bescheiden dan ook. Misschien was het mijn ervaring met onoverbrugbare afstanden tussen de rangen en standen. Ik zocht een manier om uit het harnas te breken. Toen kon ik dat zo niet bedenken. Ik voelde slechts opwinding bij de gedachte dat je op het toneel iemand anders kon zijn dan je werkelijk was. Dat je iedereen kon zijn die je wilde.
Natuurlijk hoorde ik van opstandige jongeren in Amerika waar ze opzwepende muziek maakten. Maar dat was Amerika, dat was een andere wereld. Wij keken daar toch een beetje op neer. Als je wilde uitdrukken dat de maatschappij verwilderde, dan zei je dat het Amerikaanse toestanden werden. Het laatste wat iemand wilde was, dat er Amerikaanse toestanden zouden uitbreken. En zo was mijn drang om op de toneelclub te gaan een vorm van veilige rebellie waarvoor ik gewoon toestemming vroeg aan mijn ouders. Het laatste wat ook ik wilde, was dat er Amerikaanse toestanden zouden uitbreken.
De eerste twee maanden dat ik lid was, waren de leden van de toneelvereniging bezig met het instuderen van een stuk waarbij alle rollen al verdeeld waren. Als nieuweling mocht ik meehelpen om de rekwisieten te verslepen en toekijken hoe de anderen zich voorbereidden op een voorstelling. Terugkijkend denk ik dat het tenenkrommend slecht moet zijn geweest, maar wist ik veel. Ik zag het plezier waarmee een dolle klucht werd voorbereid. En bovenal zag ik Fleur. Als ik al getwijfeld had of ik lid zou blijven, dan was die twijfel bij slag verdwenen en ik stelde me meer dan tevreden met de rol van sleper der rekwisieten.
En nu was, na de laatste voorstelling die de oude Kneper als regisseur had gedaan, het tijdperk aangebroken van iemand van buiten. Iemand die op de toneelschool had gezeten en die ook bij andere verenigingen de regisseur uithing. Ik zeg hier ‘uithing’ omdat de komst van iemand van buiten tot gemor had geleid bij enkele oudgedienden die hoopten de oude Kneper zelf op te volgen. ‘Wat dacht zo’n grote stadsjongen wel dat hij hier de boel kwam regelen?’ Maar uiteindelijk was het tot handopsteken gekomen en de nieuwe regisseur van buiten zou er komen. Op proef, voor een paar maanden.
Je kunt je dus voorstellen dat die kennismaking van Henk Brink als onze nieuwe regisseur heel gewaagd was. Dat hij de essentie van het toneel aan ons duidelijk maakte op de manier waarop hij het deed, dat hij ons vroeg waarom we toneel speelden, dat maakte sommigen enthousiast en anderen juist verlangen naar vroeger. Toen verlangde ik naar anders en nu verlang ik naar vroeger, ik begrijp nu dus beter dan ooit de mensen die maar niets zagen in die nieuwe regisseur. Toen verlangde ik naar het nieuwe, het nieuwe wat niemand van ons nog amper gezien had, maar zo opwindend leek.
Ik was de keer erna stom verbaasd dat ik iedereen al aantrof nog voor de avond begonnen was. Er was een luid krakeel van voor en tegenstanders van de nieuwe regisseur en zijn aanpak. Het werd doodstil toen kort na mij de nieuwe regisseur zelf binnentrad. ‘Ik zie dat gij hier allen verzameld zijt, en dat sommigen mijn vertrek al weer wensen nog voor ik gearriveerd ben.’ Hij sprak met een diep timbre. ‘Laten we er een echt drama van maken. Ik ga hier op een rots zitten als een Romeins generaal’, hij pakte een stoel en plaatste die in het midden van de zaal, ‘en dan doen we of u twijfelt of ik u kan aanvoeren. U praat hier met elkaar en ik luister en ik beslis of ik zal blijven of niet.’ Hij bleef daarna doodstil op zijn ‘rots’ zitten.
Het was een tijdje stil maar toen kon Bruijs van de naaimachinewinkel zich niet meer inhouden. ‘Dit heeft toch geen kwaliteit.’ Ze sprak het uit als kweeliteet. Er waren anderen die instemden. Er waren geen andere geluiden, er was alleen dat afkeurende gemompel hoorbaar. Daarna werd het weer stil.
Uiteindelijk stond Henk Brink op. ‘Indien gij vastbesloten zijt, zal ik uw wens vervullen.’ Hij stond op, sloeg een denkbeeldige mantel over zijn schouder en verliet de zaal. Het bleef doodstil en iedereen zat verbaasd naar de lege stoel te kijken. Ik was verslagen, want ik had zo verlangd naar alles wat deze man ons had kunnen leren. In die tijd waren de jongeren nog niet gewoon om tegen de ouderen op te staan. Wij, de jongeren van de groep zaten stil te wachten tot een van de ouderen er wat over zou zeggen. En ik, als jongeling en nieuwkomer, van mij werd al helemaal niet verwacht dat ik er iets over zou zeggen.
Het was al tientallen jaren de gewoonte geweest dat de vertrekkende regisseur opgevolgd zou worden door iemand die het langst bij de groep zat. Het was de bekroning op een lang lidmaatschap dat aanzien gaf in de gemeenschap. Er werd een stukje in de krant gezet met een foto erbij en dat alles stond nu op losse schroeven met de mogelijke komst van iemand van buiten. Maar nu ik de opwinding had gevoeld van ‘de nieuwe aanpak’ dacht ik er met enige weerzin aan om straks onder leiding van de echtgenoot van mevrouw Bruijs iets saais in te studeren. Ik had er nooit eerder zo over gedacht en voelde me schuldig dat ik verraad pleegde aan de gebruikelijke orde. Ik hoopte intens dat er iemand zou zijn die het voor Henk Brink zou opnemen om hem in ieder geval voor de proeftijd te behouden.
Het drama van die avond leek op dat moment alleen ons als toneelvereniging aan te gaan, maar het was meer. Het was een strijd tussen oud en vertrouwd en het nieuwe en opwindende dat overal plaats bleek te vinden. We zijn er nu aan gewend dat alles nog nieuwer moet zijn en als iets ‘vernieuwd’ is, is dat een aanbeveling, toen was nieuwerwets iets wat bijna net zo erg was als een Amerikaanse toestand. Het was Fleur die opstond en als eerste iets zei. Mijn hart sloeg een paar keer over toen ik zag dat ze de moed had om zich tot iedereen te richten. Ze was dan wel jong, maar ze was ook onderwijzeres en dat gaf haar de statuur om het te doen.
‘Het nieuwe moet een kans krijgen. We kunnen niet na zo’n korte tijd al beslissen dat het niets voor ons is. Dat is wat ik er van vind.’ Ze ging weer zitten en na haar stonden er ook anderen op die pleitten voor het aanblijven van Henk Brink. Het was een scheiding der geesten. Het dramatische gevolg was dat het echtpaar Bruijs en nog enkele anderen weg gingen. Het was dramatisch, want al deze mensen kenden elkaar hun hele leven, kwamen elkaar in het dagelijkse leven tegen en de verhoudingen bleven nog lang, soms zelfs voor altijd, verstoord.
Uiteindelijk waren er twee toneelverenigingen. Wij hadden Henk Brink en de anderen gingen onder leiding van de oude Bruijs door. Toen mijn baas wist dat ik bij de nieuwlichters zat, was het gedaan met het kwartiertje dat ik eerder naar huis mocht. En ik moest heel wat uitleggen aan mijn ouders om duidelijk te maken dat de nieuwlichtersbende niet nog dichter bij de hel was dan de oude vereniging. Ze eisten niet dat ik er vanaf ging, maar ze waren het er zeker niet mee eens dat ik bleef.
3
We gebruikten de scheldnaam die we kregen als geuzennaam. Wij waren de Nieuwlichters. Van Henk Brink leerden we verbazingwekkende dingen die mijn kijk op toneel en het leven voorgoed veranderden. ‘Waarom’, zo vroeg hij ons een van de eerste keren, ‘is er verschil tussen iemand die een rol speelt en iemand die zichzelf is?’ Hij gaf meteen zelf het antwoord. ‘Iemand die zichzelf is, heeft zijn hele leven om er betekenis voor zichzelf en anderen aan te geven. In een voorstelling heb je hooguit anderhalf uur om de betekenis van een leven aan een publiek over te brengen. Toneel is niet het echte leven, maar is er een verdichte vorm van. Wat is het ergste wat een toneelspeler kan doen?’ Hij keek vragend naar ons. Hij gaf zonder verder af te wachten zelf antwoord: ‘Het ergste wat een toneelspeler kan doen is om de betekenis van dat leven op het toneel te verprutsen. Je staat daar niet voor jezelf, maar je bent daar om betekenis te geven aan dat leven dat alleen daar op het toneel plaatsvindt. Je staat er niet om goed te zijn, je staat er niet om op te vallen. Je staat daar’, hij wees op het lege toneel, ‘om dat leven dat je gecreëerd hebt echt te maken, volkomen geloofwaardig.’
‘Jij en jij’, hij wees op Fleur en mij, ‘kom naar voren en ga op het toneel staan.’ Ik ervoer een schok toen ik me realiseerde dat ik zo meteen oog in oog met Fleur kwam te staan en kwam schoorvoetend naar voren. ‘Nee nee, zo kom je niet naar voren’, riep hij me toe. ‘Als ik je had gevraagd om een lam te spelen dat naar de slachtbank loopt, dan was het perfect. Maar dat vroeg ik niet. Ik wil dat je van te voren nadenkt over hoe je loopt. Als wat ga je daar naar toe? Als een edelman, een boef of een trotse handelsman? Kom, ga allebei weer zitten en kom dan opnieuw naar voren. Jij’, hij wees op Fleur, ‘als een prinses en jij’, hij wees naar mij, ‘als een edelman.’ Ik zag hoe Fleur als een prinses naar voren liep en moest moeite doen om me in te beelden dat ik niet zo maar een drukkersknecht was, maar edelman. Naar mijn gevoel lukte het en stond ik even later blozend naast Fleur.
Hij liep om ons heen en monsterde ons met kritische blik en keerde zich toen tot de overige Nieuwlichters: ‘In het leven gaat het maar om een paar dingen die voor iedereen begrijpelijk zijn. Alles begint met een flirt, aantrekkingskracht en uiteindelijk liefde. Uit de liefde komt nieuw leven. Naast de liefde spelen macht en aanzien een rol. En zowel bij macht als bij liefde is er altijd kans op verraad. Op winst, op verlies en op schuld en boete. Dat is wat we aan ons hoogverheven publiek gaan laten zien. We zullen laten zien dat een schurk ook een nobel mens kan zijn. We zullen laten zien dat iedereen precies die motieven heeft om te doen wat hij doet. Sommige verraders kun nu eenmaal niet anders. Als we dit beseffen is het instuderen van een rol straks slechts een klein deel van het werk.’
Hij liep weer om ons heen en sprak tot ons allen: ‘Op het toneel betekent dat ene gebaar wat gemaakt wordt hetzelfde als de honderden gebaren die in het echte leven gemaakt worden. Deze jongen en dit meisje’, hij wees op Fleur en mij, ‘gaan zo meteen flirten.’ Er klonk gelach uit onze groep. ‘Zij zijn niet zichzelf,’ ging Henk Brink onverstoorbaar verder, ‘maar ze zijn nu de eeuwige jongen en het eeuwige meisje die elkaar aftasten.’ En zodoende waren Fleur en ik het volgende kwartier bezig met op het toneel langs elkaar heen te lopen en elkaar elk denkbaar signaal te geven dat we geïnteresseerd in elkaar waren. De overige leden begonnen steeds harder te lachen en te applaudisseren om ons aan te moedigen en zodoende raakten wij onze schroom kwijt. Het was een van de mooiste avonden van mijn leven.
4
Nadat we met de hele club geëxperimenteerd hadden met allerlei handelingen kozen we na enkele weken op aangeven van Henk Brink een stuk uit. Het was een soort Romeo en Julia en het speelde in het oude Rome. Ik had de rol van Romeo en u raadt het al, Fleur was mijn Julia. We waren allemaal tevreden hoe de repetities verliepen. Het werd volkomen duidelijk hoe de families in een vete terecht waren gekomen. Garrits bijvoorbeeld speelde de vader van Julia en dat deed hij zeer overtuigend. We kwamen allemaal op dreef en Henk Brink keek tevreden. ‘We gaan het halen jongens en meisjes’, sprak hij jong en oud toe en hij doelde op de uitvoering die nakend was.
De datum voor de uitvoering had nogal wat voeten in aarde gehad. In onze buurt was een druk verenigingsleven en er was elke week wel wat. Nu er twee toneelverenigingen waren en we allebei van dezelfde zaal gebruik maakten moest er met elkaar overlegd worden. Het resultaat was dat wij als Nieuwlichters, op aanraden van Henk Brink, galant plaats maakten voor de groep met de overwegend oudere leden. Wij zouden op de dag erna op zaterdagmiddag onze voorstelling geven.
Het affiche voor de oude groep werd door mijn baas gedrukt en hij hing een exemplaar voor het raam. Ons affiche werd gedrukt door een concurrent en die hing dat voor zijn raam. Het was alleen in het café dat onze affiches naast elkaar hingen. Men was of voor de Nieuwlichters of voor ‘de oude groep’. Daarbij moet gezegd worden dat het aantal affiches voor de Nieuwlichters danig in de minderheid was zodat we ons zorgen maakten of er wel voldoende kaartjes verkocht zouden worden om niet volkomen af te gaan.
Deze vrees bleek ongegrond. De twee voorstellingen, die ook een strijd vertegenwoordigde tussen het oude en het nieuwe, hadden ieders aandacht en niemand wilde het missen. Sommigen wilden misschien komen met de intentie om later schande te spreken van onze voorstelling, maar dat betekende toch weer meer verkochte kaartjes. Er waren ook nogal wat mensen die nooit eerder naar het toneel waren geweest die nieuwsgierig waren geworden en voor beide voorstellingen van zowel de oude groep en de Nieuwlichters een kaartje kochten.
Mijn moeder kwam in gewetensnood omdat ze me hielp bij mijn kostuum, maar ze beslist niet voor de Nieuwlichters was. Ze was natuurlijk ook niet voor de oude groep, maar als ze had moeten kiezen zou het niet voor de Nieuwlichters zijn geweest. Ze vertelde me later dat ze zelfs op straat en in winkels werd aangesproken door buurvrouwen die er schande van sproken dat ik, haar zoon, bij de Nieuwlichters zat. Toen kon zoiets nog onderwerp zijn van heftige gesprekken. Ik wist maar al te goed hoe ze er over dacht en ik ben achteraf vol bewondering voor haar dat ze me mijn gang liet gaan, ook al was ze het helemaal niet mee eens met wat ik deed.
Ik weet nog hoe ik aan tafel net na het eten en gebed twee kaartjes over de tafellaken schoof in de richting van mijn vader en moeder. Mijn vader pakte de kaartjes zwijgend op en stopte ze zonder wat te zeggen in zijn portefeuille. Mijn moeder had in karakteristieke houding, ik kan haar zo uittekenen met haar gevouwen handen waar ze haar mond achter verborg, haar ogen over haar handen van mij naar de portefeuille van vader laten gaan. Ook zij zei niets. Maar het feit dat mijn vader niets zei, en de kaartjes in zijn portefeuille had gestoken, was de bezegeling van een afspraak. Zij zouden er zijn. En het had de zegen van moeder. Hun zwijgen had iets plechtigs. Ze zouden met aandacht kijken en hun oordeel kon pas komen als ze het gezien hadden.
5
We waren de dag ervoor naar de voorstelling geweest van onze concurrent, dat hadden we met elkaar afgesproken. We hadden enthousiaster dan de andere aanwezigen geapplaudisseerd, dat was niet zo moeilijk, want het was met name een beleefd applaus. In mijn ogen waren ze niet verder gekomen dan het uitbeelden alsof ze bordkartonnen figuren waren die uit het hoofd geleerde tekst opdreunden. Het moest niet moeilijk zijn om ze minimaal te evenaren, maar toen ik aan evenaren dacht moest ik aan de volgende dag denken en ineens beving mij een enorme angst.
Tot nu toe was mijn blik gericht geweest op het leren toneelspelen. Natuurlijk wist ik altijd wel dat er uiteindelijk een voorstelling voor echt publiek gegeven zou worden, maar dat wist ik met mijn verstand. Nu zeiden mijn hart en mijn maag dat het morgen zo ver zou zijn en mijn maag en hart gaven me de opdracht hier ver vandaan te gaan en me te verstoppen. Ik moet er uitgezien hebben of ik ernstig ziek was, want er werd aan me gevraagd wat me mankeerde. Wist ik veel? Ik ging naar huis en mijn moeder keek zorgelijk naar me toen ik vroeger dan anders naar bed ging alwaar ik de slaap niet kon vatten. Ik oefende stukken van de tekst, maar hoewel geleken had dat ik alles op mijn duimpje kende, waren er nu alleen maar lege plekken in mijn geheugen. Ik huilde. We hadden zo ons best gedaan en nu zou de voorstelling door mij mislukken.
Zaterdagmorgen moest ik eerst nog werken. Gelukkig gaf me dat wat afleiding, maar als ik alleen al dacht aan de voorstelling die ik later die dag had en waar ik jammerlijk zou mislukken, dan trok mijn maag samen en brak het koude zweet me uit. Hoewel normaal gesproken op zaterdagochtend de klok tergend langzaam naar van het einde van de werktijd kroop, leek het wel of het nu twee keer zo snel ging als normaal. Een half uur voor tijd stuurde mijn baas me naar huis. ‘Nou’, zei hij op een beetje onbeholpen manier, ‘succes dan maar. Ik zie je vanmiddag wel. Hopelijk zonder die zwarte randen onder je nagels.’ Het was zijn goed bedoelde manier om de strijdbijl te begraven. Het was meer mensen opgevallen dat wij erbij waren geweest toen de oude groep had gespeeld en dat was goed gevallen. Maar zijn wens bezorgde me de rillingen. ‘Gaat het een beetje?’, vroeg hij.
Op weg naar huis nam ik om mij onbekende redenen een andere route dan normaal en liep langs de school waar Fleur haar klas naar buiten liet. Toen ze me zag, zwaaide en wenkte ze. Het voelde vreemd om weer terug in school te zijn. ‘Zo, hoe gaat het met mijn Romeo?’ Ik moest geïmponeerd zijn door de school en haar positie toen ik antwoordde: ‘Ik ken mijn rol niet meer juffrouw.’ Ze lachte zowel van pret als in het besef dat ik tot uitdrukking had gebracht dat ik tegen haar opkeek als onderwijzeres. ‘Ah, je hebt last van plankenkoorts.’ Ze lachte nog steeds toen ze geruststellend vroeg: ‘Je maag voelt raar, je kent je tekst niet meer en laat me raden, je vraagt je af waar je aan begonnen bent en je wil er liever onderuit?’ Ik knikte bedeesd. ‘Ik ken mijn tekst echt niet meer.’
‘Wacht’, zei ze en ze ging op een tafeltje zitten en ze noodde mij op een van de veel te kleine stoeltjes. ‘Kijk, ik zit hier op mijn balkon en jij zit beneden in de tuin verscholen. Oh Romeo’, sprak ze met een hand omgekeerd tegen naar voorhoofd, ‘waarom is onze liefde zo moeilijk?’ Ik antwoordde werktuiglijk: ‘Zolang wij elkaar liefhebben, Julia, zo lang zal de liefde nooit moeilijk zijn. Mijn liefde voor jou duurt tot in de dood.’ En zo oefenden wij spelenderwijs door de tekst en na afloop zei Fleur: ‘Zo, dat gaat heel aardig toch.’ Ik protesteerde: ‘Maar ik ben hier bij jou.’ ‘Straks ben je mijn Romeo en dan ben ik jouw Julia, we zullen bij elkaar zijn. Denk aan wat Henk Brink gezegd heeft, dat het niet uitmaakt of we de tekst niet helemaal precies hebben. Als we maar duidelijk maken dat we echt van elkaar houden.’
Ik ging naar huis en schrobde mijn handen. Ik moest ter voorbereiding uren eerder naar het verenigingsgebouw dan mijn ouders en mijn moeder was zichtbaar zenuwachtig. Maar ze probeerde het niet te laten merken door zo kortaf als mogelijk te zijn. Mijn vader had zich ook gewassen en zat in zijn nette kleren met de krant ondersteboven op zijn schoot. ‘Nou dan ga ik maar’, zei ik en ik stond nog even besluiteloos in de kamer. Ergens toen had ik voor het eerst het gevoel dat die kamer te klein voor mij geworden was. Als ik nu weg zou gaan zou hij daarna voor altijd benauwend klein lijken. Ik gaf mijn vader een zoen, dat deed ik al meer dan tien jaar niet meer. En het was ook de laatste die ik hem ooit gaf. Ik liep de deur uit.
De voorstelling ging als een droom. Ik was niet meer de drukkersknecht, ik werd Romeo. In een laatste scene zou ik bijna mijn lippen op die van Julia drukken. Net voor het moment dat we elkaar raakten, werd het volslagen donker en dan kon het publiek raden wat er gebeurde. Toen die scene was aangebroken voelde ik me inmiddels alsof ik door vleugels gedragen werd. Ik ging haar kussen en de zaal hield de adem in. Toen het licht doofde voelde ik de lippen van Fleur tegen de mijne. Het was zacht en warm.
Toen we opgingen voor het eerste applaus liepen zij en ik hand in hand naar voren. Ineens zag ik mijn ouders zitten op de eerste rij. Mijn vader had tranen in zijn ogen en mijn moeder keek strak naar onze handen die met elkaar verstrengeld waren. Ik hield onze handen omhoog en gaf een kus op de rug van de hand van Fleur en maakte een diepe buiging. Het applaus zwol aan.
Het jaar daarna hingen er alleen nog maar affiches van de Nieuwlichters. Ik was er niet meer bij, want ik zat op de toneelschool en woonde buiten de stad. Ik hoorde het van mijn vader. Op de avond van de uitvoering zat ik in de zaal. Mijn Fleur schitterde in haar rol. Ik liep na de voorstelling naar haar toe. Ik wist precies wat ik aan haar wilde vragen. Ik had voor het eerst weer last van plankenkoorts. Als ik maar aan haar liet zien dat ik nog van haar hield.
Opgedragen aan Will Burger tgv haar verjaardag