Aan Georg Horeweg,
Als (onwetend en dus schuldeloos) beginnend filosoof (die een stap van een seconde heeft gezet op het pad van duizenden uren dolen)
besef ik (als ik alles ter harte neem van mensen die weet hebben van wat er toe doet) dat ik moet zwijgen waar ik niet over spreken kan. (Foucault spreekt dan van gediskwalificeerd zijn om deel te nemen aan het vertoog)
Wil ik slechts beïnvloeden? (als de smadelijke sofisten)
Of wil ik er toe doen(?) (in het licht van het niet-zijn is dat belachelijk)
zonder te vervallen in Freiswebende Intelligenz. (Hoe dodelijk in de ogen van Foucault)
Alles wat ik nu bedenk is al eens bedacht.
Mag ik het denken?
(hoe verhef ik mij boven Sofisten?) Wanneer mag ik er van spreken?
En als ik er van spreek. Kan men het begrijpen? (Derrida)
Is alles onraakbaar voor mij?
Blijft alles zonder betekenis voor mij?
Het is onzinnig een cynicus te zijn.
De enige vraag die er toe schijnt te doen is of ik wil voortleven en hoe. (Sartre/Camus)