Joe’s Myth

Joe’s Myth


‘Het duurde een tijd voor ik het door had,’ zei hij. ‘De eerste keer plofte ik onder een bepaalde hoek in onze comfortabele bank, om over een verhaal te denken wat ik wilde schrijven, en ineens was ik ergens anders. Ik dacht dat ik droomde en later dacht ik dat ik misschien een pietsie te veel gedronken had. Maar ik had niet gedronken en het gebeurde elke keer als ik precies in de juiste hoek in de hoek van de bank neerviel. Natuurlijk vond ik het eerst verontrustend, maar later perfectioneerde ik mijn ‘comfortabele plof in de hoek van de bank’ op momenten dat het mij uitkwam om te belanden in het café met de veelbelovende naam: ‘Joe’s Myth’ Er werd instemmend gemompeld over dat wat er gezegd werd.

De plaats waar gemompeld werd, was datzelfde café Joe’s Myth waar de verteller in terecht gekomen was. Een plaats ergens anders, waar alles nog in orde was en waar we alleen in onze meest nostalgische gedachten naar toe gaan. Er valt misschien soms een licht regenbuitje op de straten voor Joe’s Myth, maar dan is het zo’n warm regenbuitje waarvan het niet erg is als je er een beetje nat van wordt. Misschien dat er door die regenachtige straten een brandweerauto voorbij komt met spuitgasten met wapperende jassen op de treeplanken. Maar waar je blik dan getrokken wordt naar een jongetje dat met een blik vol ontzag een eindje meerent in eindeloze fantasie over zijn eigen bestaan als brandweerman, later als hij groot zal zijn. ‘Wie zijn kat zit er nou weer in een boom?’, vraag je aan elkaar gekscherend als die brandweer voorbij komt in de regen. Want het komt niet in je op om te denken dat er ergens een brand is of iets ergers.

Achter de bar staat Joe. Hij poetst de smetteloze glazen en mokken met aandacht en rituele gebaren. Hij laat ons kletsen en hij schenkt ons in. Hij kijkt ook als de brandweer voorbij komt in de regen, maar meestal is het een zwoele lenteavond buiten en drentelen mannen en vrouwen voorbij. Ze praten met elkaar, de mannen proberen de vrouwen te overreden nog iets te drinken ergens, de vrouwen zijn op weg naar hun huis waar ze alleen willen dromen van een geluk wat misschien binnen handbereik is. Ze vinden het leuk dat er zoveel aandacht besteed wordt aan hen, maar toch echt, nee heus, ze willen naar huis en ‘Morgen is er toch een nieuwe dag?’ De mannen willen toch liever meteen hun schaapjes op het droge. Een enkele keer komt zo’n stel dan binnen in Joe’s Myth als de jongedame toeschietelijk is.

De vaste gasten sluiten een weddenschap af over de afloop van zo’n overreding. Zal ze een of twee glazen drinken? Kan hij haar om de tuin leiden met zijn zoete broodjes? De vaste gasten lijken in gesprek met elkaar en de indruk zou kunnen bestaan dat ze in het geheel niet geïnteresseerd zijn in dit toevallig passerend liefdespaar. Maar er wordt op elk gebaartje gelet en men knijpt zijn tenen bij elkaar als men de jongeman iets hoort zeggen wat ze zelf nooit zouden zeggen tegen een droomkans die tegenover hen zat. Ze kijken met getergde blik als de jongeman de duidelijke signalen van ontvankelijkheid van de jongedame niet ziet zoals het wegschuiven van een haarlok of het giechelen om een flauw grapje. Ze wil zich natuurlijk niet gewoon gewonnen geven. Ze is al half van hem, maar hij moet het niet verknallen.

Maar meestal zijn de gasten van Joe’s Myth onder elkaar en ouwehoeren ze overal en nergens over. En ze komen van overal. De één, dat heb je al kunnen lezen, ploft onder een bepaalde hoek in zijn bank en komt dan terecht in deze wonderbaarlijke plaats. Een ander zit tegen een boom in een park en sluit zijn ogen. Weer een ander valt in slaap en wordt getransporteerd naar dit droomoord waar iedereen van tijd tot tijd wil zijn. Hier maakt het niet uit wat je bent of waar je vandaan komt. Je deelt het geheim en je praat er met niemand over, anders dan met de andere stamgasten van Joe’s Myth. De muziek is als altijd juist en zoet of meeslepend, maar altijd op de juiste sterkte: nooit te zacht en nooit te luid.

Een enkele keer komt er een nieuwe onverwachte stamgast uit het niets aan bij Joe’s Myth. Meestal is het meteen goed, want als je hier van elders komt, dan deel je het geheim. Maar een enkele keer probeert zo’n nieuwe gast te doorgronden waar hij is en waarom. De eerste vraag is niet bezwaarlijk en het antwoord is vrij simpel: ‘Je bent hier in Joe’s Myth.’ Maar de tweede vraag is overbodig en de enige vraag die je niet moet stellen hier in Joe’s myth: ‘Waarom ben ik hier?’ Tja, het enige antwoord wat gegeven kan worden is: ‘Waarom niet?’ Als een nieuwe ‘would be’ stamgast dan toch nog door blijft ouwehoeren is het snel over. Hij wordt verwezen naar de steeg achter Joe’s Myth die ook wel spottend de ‘Boulevard of Broken Dreams’ wordt genoemd. De stamgasten verdringen zich dan om te zien hoe hij wordt opgezogen in de realiteit om nooit meer terug te keren. Niet iedereen hoort thuis in Joe’s Myth. En als dat zo is, dan heb je het aan jezelf te danken.

Joe, de eigenaar blijft de glazen en de mokken poetsen en heeft geen boodschap aan Internet of moderne techniek. Dat bestaat hier gewoonweg niet. Hoogstens een telefoon op oude kwartjes die niemand heeft. Met een enkel gebaar vraagt hij of iemand wil beginnen met iets moois. Net zoals nu, op de avond dat wij binnen komen vallen. Oh, stel gerust de vraag waar je bent. ‘Je bent hier in Joe’s Myth. Waar anders?’ Maar stel nooit, en ik herhaal, stel nooit de vraag waarom je hier bent. Je wordt zo naar de binnenplaats geleid en voor je het weet zit je weer midden in je leven zoals het nu eenmaal is en niet meer zoals het had kunnen zijn. Verpest het niet. Ik smeek je: verpest het niet. Vraag niet zoveel vragen.

‘Ik heb iets bijzonders meegemaakt’, zegt de stamgast die hier is binnen komen vallen omdat hij de juiste hoek heeft gevonden om in zijn luie bank neer te ploffen. De rest is meteen vol aandacht. Joe heeft de voordeur gesloten. Nu gaat het om dat ene verhaal of die ene inval, er hoeven geen verliefde stelletjes binnen te komen waar op de uitkomst van hun samenzijn gewed hoeft te worden. We laten ons door niets afleiden, zelfs niet door de eeuwige loop van de natuur.

‘Het duurde een tijd voor ik het door had’, zei hij. ‘De eerste keer plofte ik onder een bepaalde hoek in onze comfortabele bank om over een verhaal te denken dat ik wilde schrijven, en ineens was ik ergens anders. Ik dacht dat ik droomde en later dacht ik dat ik misschien een pietsie te veel gedronken had. Maar ik had niet gedronken en het gebeurde elke keer als ik precies in de juiste hoek in de hoek van de bank neerviel. Natuurlijk vond ik het eerst verontrustend, maar later perfectioneerde ik mijn ”comfortabel plof in de hoek van de bank” op momenten dat het mij uitkwam om te belanden in het café met de veelbelovende naam: ”Joe’s Myth”.

Na het goedkeurend gemompel was de toon gezet. ‘Wat voor verhaal had je in je kop man? De rest weten we wel. Kom op, vertel.’

‘Wel, ik werd wakker en ik had ineens een soort plot in mijn kop.’

‘Ja dat kennen we. Hup vertellen man, dan kunnen we meedenken.’

‘Ik weet niet of ik het kan vertellen zonder gevolgen.’

‘Wat voor gevolgen? Wij luisteren en denken alleen maar met je mee.’

‘Ik bedoel de gevolgen als je over een idee voor een verhaal met anderen praat voor je het helemaal opgeschreven hebt. Altijd als ik een idee had voor een verhaal en ik sprak erover voor ik het uitgewerkt had, dan kon ik er niet meer mee aan de slag. De inwendige druk verdween om het verhaal af te maken.’

‘Is dit het ene idee dat je eens in de tien jaar krijgt of krijg je elk jaar een idee of eens in de paar maanden?’ ‘Ah, ik krijg elke week wel een paar ideeën. Soms twee of drie op een dag. Ik heb echt niet de tijd om ze allemaal ook echt uit te werken.’

‘Je komt om in de ideeën. In dat geval kan het geen kwaad hier in Joe’s Myth je verhaalidee open te gooien. Je hebt nooit eerder een verhaal in Joe’s Myth gedeeld. Misschien dat de vloek van te vroeg vertelde verhalen hier niet werkt.’

‘Ja’, riep iemand anders, ‘vertel het. Je bent hier onder ons.’

De bankploffer liet zich overhalen en begon: ‘Ik werd wakker, je weet wel, nog niet echt wakker, maar zo tussen droom en waken in. Het is geen droom, maar meer niet echt wakker.’

‘Een verhoogd associatief brein’, suggereerde iemand die er voor doorgeleerd had en die de opmerking al tientallen keren had gemaakt hier in dit wisselende gezelschap van Joe’s Myth.

Ja, ik denk het wel. In ieder geval, ik associeer het volgende, onderbreek me even niet. Laat me even rustig formuleren. Ik ben in mijn verhaal de ik. Die ik gaat bij een vriend op bezoek die in het ziekenhuis ligt. Die vriend bekleedt een hoge regeringsfunctie. Echt heel hoog. Ik merk dat er kleine onregelmatigheden zijn bij de bewaking bij het langskomen. Agenten verlaten hun post, steeds meer als ik de kamer van mijn vriend nader. Ik ben een echte vriend, niet iemand uit het regeringsapparaat, maar meer van vroeger. Als ik de ziekenhuiskamer betreed met mijn vriend op dat bed met kabeltjes aan de monitor, dan weet ik dat het foute boel is. Ik ben helemaal alleen bij hem. Ik besef dat ik snel moet handelen, ik weet niet wat voor een hinderlaag dit is, welke bedreiging er dreigt. Dan zie ik een ontplofbare stof als kneedbom aan het bed van mijn vriend. Een rood lichtje knippert. De bom gaat zo ontploffen, De ziekenhuiskamer is dicht, ik besef om de een of andere reden dat er een complot moet zijn en dat het hoe en waarom later uitgezocht moet worden. Een ijselijke kalmte komt over me en ik kijk om me heen in de ziekenhuiskamer en zie een luik naar een kruipkelder. Ik ruk de medische bedrading los, slinger de vriend over mijn schouder en in een haast bovenmenselijke krachtsinspanning weet ik mezelf en mijn vriend in dat luik van een kruipkelder te wringen en het te sluiten voor een seconde of wat later de bom aan het bed ontploft. Ik hoor een paar seconden na de ontploffing boven mijn hoofd het geloop van veiligheidsagenten. Ik sleep mijn vriend weg van het luik. Ik moet eerst uitzoeken hoe het complot in elkaar zit voor ik weer ”bovengronds” ga.

Kort na onze ontsnapping kom ik uit bij een kelderruimte waar ik mijn vriend kan neerleggen. Hij is er niet goed aan toe.. Omdat de toestand van mijn vriend verslechtert besef ik dat ik hulp nodig heb. Ik hoor geloop door de gangen. Ik ga behoedzaam op onderzoek uit. In mijn geheugen is nog steeds het feit gegrift dat iemand een aanslag heeft gepleegd en dat juist voor het moment van de aanslag alle veiligheidsagenten van hun post verdwenen. Het eerste wat ik hoor als ik via een voorraadruimte door een deur een flard van een gesprek opvang, is dat ik de voornaamste verdachte ben van de aanslag. Ik realiseer me dat ik niet veel kans heb om te overleven als ik me nu kenbaar maak. Wie is te vertrouwen en wie niet? Maar ik moet hulp hebben, want in mijn eentje maak ik niet veel kans en ook moet mijn vriend de nodige zorg krijgen.

Er wordt gerommeld aan de deur van de voorraadruimte en ik verberg me snel achter een kast. Er komt een jonge verpleegster binnen die een aantal medische artikelen in een mandje verzamelt. Ik overweeg allerlei zaken en neem dan het risico van het blootgeven van mijn positie. Ik trek de aandacht van de verpleegster. Ze is verbaasd, maar niet angstig. Ze weet wel dat er ergens een ontploffing is geweest, maar het hoe of wat, daar weet ze niets vanaf. Dat geeft mij de kans om mijn kant van de zaak naar voren te brengen. Ik vertel zo rustig als ik kan, maar echt rustig kan ik dat natuurlijk niet, na wat ik aantrof toen ik mijn vriend ging bezoeken in het ziekenhuis. Ik vertel van de weglopende veiligheidsagenten, dat ik bij binnenkomst de bom aan het bed zag en van mijn ontsnapping via een kruipruimte naar een kelder waar mijn vriend nu ligt. Ik vertel haar er zeker van te zijn dat er een complot op hoog niveau in de regering gesmeed is, maar dat ik geen idee heb wie er wel of niet deel aan nemen en ik vertel haar ook dat ik net een gesprek van passerende veiligheidsagenten hoorde door de deur dat ik de belangrijkste verdachte ben. Kortom, als er een groot complot is dan heeft men er alle belang bij om mij het zwijgen op te leggen nog voor ik wat dan ook kan zeggen. Ik weet immers dat er een bom was, ik weet van de terugtrekkende veiligheidsagenten, ik ben zelf niet de dader, ik ben slechts iemand die bij een oude vriend op bezoek ging.

Ik zie de verpleegster naar mijn verhaal luisteren en gelukkig is het een schrander type die niet bang is uitgevallen. ”Wie is die vriend van je dan? En waar is hij nu?” Ik wenk haar dat ze mee moet komen en via een sluipdoor-kruipdoor route komen we bij de kelder aan waar ik mijn vriend heb neergelegd. Ze ziet meteen wie het is. Ze slaat haar handen voor haar mond. ”Maar dat is de Vice-President.” Ik knik en zie meteen ongeloof in haar ogen over mijn verhaal. Ik ben een onbekende nono en ik zou dan zeker vriend zijn van Harrison, de Vice-President. Gelukkig komt op dat moment mijn vriend een beetje bij en hij herkent me. ”Wat gebeurt er John?” Hij kijkt naar mij en dan naar de verpleegster. ”Waar ben ik en wie is zij?”

Ik kan mijn vriend uitleggen dat hij gisteren onwel is geworden en met spoed naar het ziekenhuis is gebracht. Ik vertel hem van de bom en onze ontsnapping. Mijn vriend hoort het aan en dan verliest hij weer zijn bewustzijn. Hij zegt nog wel: ”De schoften.” De verpleegster en ik kijken elkaar aan. Dan zegt ze resoluut: ”Als alles wat je zegt waar is, dan verkeren jij en de Vice-President in levensgevaar. Jullie moeten hier weg.””Maar waar naar toe en hoe?’ , vraag ik haar. We verzinnen samen een plan. Eerst zal ze haar gewone dienst afmaken. Ze gaat terug naar haar afdeling met de spullen die ze ging halen. Dan zal ze later terugkomen en dan kijken we hoe we ongezien weg kunnen komen.

De verpleegster komt na een paar uur terug. Voor mij heeft ze een outfit bij elkaar gegraaid zodat ik me als een dokter kan verkleden. In de voorraadruimte heeft ze een brancard klaar staan. We laten mobiele telefoons verdwijnen in de vuilstortplaats. Dat zou ons makkelijk traceerbaar maken. We sjorren de VP op de brancard en via een een kleine dienstingang komen we op een binnenplaats waar de kleine camper staat van de verpleegster. We slagen er in om weg te komen en onderweg bespreken we welke opties we hebben. Het is werkelijk een snel denkende slimme meid. We gaan naar een blokhut in de bossen, zeer ver weg van de bewoonde wereld, die eigendom is van een kennis van haar.

Op de televisie zien we korte tijd later de berichten over de bomaanslag en er wordt melding gemaakt van het overlijden van de Vice-President. Mijn portret verschijnt op de televisie als de vermoedelijke moordenaar die samen met de VP om het leven is gekomen. ”Dat is mooi als ze denken dat je dood bent. Dat geeft ons wat tijd.” Ik wijs haar erop dat wat in de media terecht is gekomen wat anders kan zijn dan dat datgene wat achter de schermen bekend is. Het hele land is in rep en roer als we de verzorging van de VP op ons nemen. Dat hij overleeft is nu onze eerste zorg. Zijn herstel verloopt in de dagen die volgen langzaam maar gestaag.

De verpleegster moet na een paar dagen weer terug aan het werk volgens haar rooster en we praten met z’n drieën over de meest verstandige acties die we kunnen ondernemen. Als ze niet haar gewone routine hervat, dan zal er argwaan komen. Ze is echter voorlopig onze enige connectie met de buitenwereld. Inmiddels is mijn gezicht net zo bekend als dat van de VP omdat het om de paar minuten op zowat elk tv-kanaal wordt vertoond. Ze gaat naar haar werk, maar daar aangekomen wordt ze meteen apart genomen voor ondervraging. Het blijkt een routinekwestie en ze weet rustig antwoord te geven op alle vragen.

In de blokhut bespreken mijn vriend en ik alle mogelijkheden die we hebben. Tevens bespreken we wat er allemaal aan het complot ten grondslag kan liggen. Het feit dat hij ineens onwel werd en dat ik vrijwel meteen daarna door een onbekende werd opgebeld met de vraag of ik mijn vriend Harrison wilde bezoeken in het ziekenhuis duidt erop dat er sprake moet zijn van een zeer zorgvuldig uitgedokterd plan. Onze voorlopige conclusie is dat er sprake moet zijn van vergiftiging of iets dergelijks. Op de televisie zien we het bedroefde gezicht van de president die een nieuwe VP aan het volk voorstelt en deze laat inzweren. ”Zit hij erachter?”, vraag ik mijn vriend terwijl ik naar de president wijs. Harrisson denkt na en zegt dan dat hij het niet weet. ”Je moet weten dat een VP heel erg dicht tegen de macht aanzit, maar dat hij tegelijkertijd van heel veel zaken totaal niet op de hoogte is.” We gaan er voorlopig van uit dat we niemand kunnen vertrouwen. Echt niemand, en dat elk contact met de buitenwereld via telefoon of andere elektronische manier een enorm risico inhoudt. Harrison knikt als ik dit zeg.

Harrison en ik maken af en toe een wandeling rond de blokhut en we halen herinneringen op aan vroeger toen we nog allebei op school zaten en we er nog geen idee van hadden dat hij het in de politiek zo ver zou schoppen. Ik herinner hem eraan dat ik hem altijd wel heel idealistisch vond en dat het me verbaasde dat hij zo ver is gekomen. Hij beaamt dat. In de politiek en zeker op het niveau waar ik terecht gekomen ben moet je misschien voor vijf procent idealistisch zijn en voor vijfennegentig procent cynisch. Er spelen zulke grote belangen mee, het gaat om zoveel geld en zoveel machtige groepen dat idealisme je geen steek verder brengt. Hij sterkt zichtbaar aan door de rust en de ontspanning. Dan, op een van die ontspannende momenten geeft hij me een knipoog. ”Je hebt in die korte tijd dat je daar was wel een van de mooiste verpleegster weten te ronselen die ik ooit gezien heb. Is het niets voor je?” Ik lach naar hem: ”Jongen, ik weet niet eens haar naam. Ik heb me tot nu toe niet met dergelijke gedachten bezig gehouden. We verkeren in levensgevaar, weet je nog wel.”’ ‘Ja ja, dat weet ik wel, maar je weet dat in noodsituaties mensen juist altijd meer aan seks denken, dat zal wel iets van de natuur zijn.” Ik haal mijn schouders op.

Na twee dagen komt de verpleegster weer langs in de blokhut met nieuwe voorraden. Ook heeft ze een laptop en een camera bij zich. Ze heeft in de dagen die ze gewoon thuis doorbracht veel nagedacht. Los van ons is ze tot een soort zelfde conclusie gekomen. ”Er zijn machtige mensen voor wie het noodzakelijk is dat jullie dood zijn. En omdat ik hier met jullie ben en dat weet moet ik ook dood. Dat we het nu nog niet zijn is slechts een bijkomstigheid voor deze mensen, zo gauw ze lucht krijgen hoe het zit, zijn we er geweest. We moeten een bijzondere draai geven aan onze situatie. Ik stel voor dat we een ontvoering in scene zetten.” Ze spreekt met rustige stem en kijkt ons aan om te zien wat we van het plan vinden.

We kijken haar aan en noodden haar om haar idee uiteen te zetten. ”Als in het nieuws komt dat hij”, ze knikt naar Harrison, ”nog in leven is, dan nemen onze kansen toe. De manier om dat te doen is om een ontvoering in scene te zetten. We maken een foto met de krant van gisteren met daarop de foto van de nieuwe VP in handen van de doodgewaande VP. We geven de foto naar een TV-station en een krant. Het zal inslaan als een bom en er komen allerlei speculaties op gang. Zo zullen er ook vragen komen over het feit dat er geen resten gevonden zijn van jou of de VP in de ontplofte kamer. Er zullen vragen komen.’

”De kans om ontdekt te worden neemt dan ook toe’, zeg ik, ‘Ze zullen elk spoor volgen wat naar onze schuilplaats te herleiden is. Ook het risico voor jou neemt toe. Hoe krijgen we die brief en foto naar een krant en een tv-station?’ Ze heeft hier al over nagedacht. ‘Via Internet kan niet en zelfs via de post is een gevaar. Het enige dat erop zit is dat ikzelf de enveloppen in de brievenbus doe van de lokale media.’ We lopen het plan na en uiteindelijk beslissen we dat dit kans van slagen heeft. ‘Er is nog wat,’ zegt ze, ‘die nieuwe VP, die Van Duuren, dat is een echte havik. Iemand die in zeer nauwe banden heeft met het militair industrieel complex. Is het een gekke gedachte dat de president straks veel risico loopt om ook uit de roulatie genomen te worden. Dat het een soort interne staatsgreep moet worden. Eerst vervangen ze de man die het presidentschap over kan nemen door iemand die hun eigen zaak dient en vervolgens gaat de president over het randje?’ We kijken elkaar aan. Onder normale omstandigheden zou deze gedachte te waanzinnig zijn om te bedenken. Maar de feiten van de laatste dagen maken dat we niets meer kunnen uitsluiten.

Voordat ze op weg gaat staat Harrison op en geeft haar een hand. ‘Ik ben erg onder de indruk van je schranderheid en van je moed. Ik hoop dat we ooit in de omstandigheid komen te verkeren dat ik je op gepaste wijze mijn bewondering kan tonen. Ik weet niet eens je naam. Vind je dat niet gek, mijn leven ligt ook in handen van jou en ik weet niet eens je naam.’ Ze glimlacht, voor het eerst is er een spoor van verlegenheid te zien. ‘Aangenaam meneer Vice-President, mijn naam is Anne McGuilre.’ ‘Nou Anne McGuilre, zo lang ik leef zal ik je nooit vergeten.’ Ze knikt. Ze gaat op weg met de foto’s en keert nadat ze het in de brievenbussen heeft gestopt weer terug.

Die avond laat, zien we met z’n drieën op de televisie de eerste keer de foto die we voor een laken gemaakt hebben en waar Harrison, met de krant van de dag ervoor, zichtbaar is. We hebben overwogen om er een briefje bij te doen, maar daar hebben we vanaf gezien. We hebben bedacht dat de speculaties hun eigen gang moeten gaan. Eerst maar eens zien wat voor mediastorm er op gang komt. Binnen een uur is het nieuws van een levende VP die dood gewaand was wereldnieuws. ‘Vergis je niet in de kracht van de inlichtingendienst jongen. Ze gaan nu alles na, met satellieten en de hele mikmak.’ Harrison kijkt bedenkelijk. ‘We hebben meer tijd nodig, als ze ons nu vinden kunnen ze er nog mee wegkomen door ons alle drie te laten verdwijnen.’

Maar het blijft stil rond de blokhut en we bespreken met elkaar de verschillende scenario’s. ‘Vermoedelijk is de kring van samenzweerders niet heel groot. Grote kans dat ze niet direct alle bronnen van informatie tot hun beschikking kunnen krijgen. En er heerst natuurlijk grote verwarring in het kamp van de tegenstanders, wie ze ook zijn. En er zijn binnen de inlichtingendienst natuurlijk ook groepen die niets van dit soort dingen moeten hebben. Reken maar dat er koortsachtig gebeld wordt. De samenzweerders lopen op ditzelfde moment ook kans dat ze hun dekmantel kwijt raken.’ Harrison klaart weer een beetje op als hij zich bedenkt.

‘De rest van de nacht gaat het persgebeuren met volle hevigheid door. Overal waar maar wat nieuws vandaan te halen zou zijn wordt door tv-ploegen belaagd. Zo ziet Harrison ook zijn eigen vrouw voor de tv verschijnen die met een geëmotioneerde stem een oproep doet aan mogelijke ontvoerders om haar man vrij te laten. Ook worden er vragen gesteld aan de president en aan regeringsleden met vragen hoe het gesteld is met de veiligheid van de Vice-President. Hoe kon er gebeuren wat er is gebeurd? Speculaties worden wilder en zelfs de mogelijkheid van een staatsgreep wordt geopperd op een van de stations. Er worden vragen gesteld over de snelle benoeming van Van Duuren als vervanging van Harrison. ‘Is,’ zo vraagt een van de reporters zich af, ‘de benoeming van Van Duuren wel rechtsgeldig als de eigenlijke VP ten onrechte is dood gewaand?’

Wat we niet weten, terwijl we afgezonderd in onze schuilplaats zijn, is dat er koortsachtig overleg plaats vindt in en tussen diverse onderdelen van de veiligheidsdienst. In de afdeling Internal Affairs zijn diverse groepen met scenario’s bezig over wat er aan de hand kan zijn. Één groep in het bijzonder houdt zich bezig met de mogelijkheid dat er een interne staatsgreep gepland wordt. Dit zijn de eerlijke jongens. Ze weten niet uit welke hoek het verraad komt, maar ze onderzoeken elk detail rond de beveilig van Harrison. Iedereen die in de buurt was van Harrison in de laatste uren dat hij nog in beeld was wordt ondervraagd. Ook de verdachte omstandigheden waaronder hij zo overhaast naar het ziekenhuis moest worden tegen het licht gehouden. ‘Vergiftiging?’ Niets wordt buiten beschouwing gelaten. Al snel leidt het onderzoek tot de slotsom dat een van de diensthoofden de instructie gaf om de bewaking voor enkele minuten te verzwakken, net op het moment dat ik op bezoek zou komen. Mijn antecedenten worden nagetrokken en nu blijkt dat ik een oude vriend ben en tevens dat ik vanuit de veiligheidsdienst gebeld ben om op een bepaald moment op bezoek te gaan bij mijn vriend. Hoewel de puzzel nog niet compleet is doemt er een scenario van een complot op. Ze beseffen dat het gestelde doel was mij er in te luizen. Nu ze dit ontdekt hebben moeten ze te weten komen tot hoever het complot reikt. Terwijl dit gaande is beseft de kern van de samenzweerders dat ze zich nu muisstil moeten houden. Ze kunnen nu geen actie richting ons ondernemen.

Midden in de nacht, terwijl we nog aan de televisie gekluisterd zitten, springt Anne op. ‘We moeten hier weg, in deze blokhut zitten we niet veilig.’ We kijken op en vragen ons af waarom ze ineens zo angstig is. ‘Uiteindelijk trekken ze alles van iedereen na. Ze zullen weten dat ik hier vaker kom in deze blokhut. We moeten de bossen in. Misschien dat we in het volgende dorp een auto kunnen pakken waarmee we weg kunnen naar een plek die meer beschutting biedt. We moeten niet in een bos zijn, maar in een drukke stad met veel media.’

Op datzelfde moment zijn de good guys van Internal Affairs tot de conclusie gekomen dat ze ons in veiligheid moeten brengen en wordt alles in het werk gezet om onze locatie te vinden. Ze lopen met deze actie het risico dat de bad guys met de resultaten zullen proberen eerder te zijn. Op dat moment weten ze niet wie aan de goede of aan de foute kant staat. Het meest waarschijnlijk wordt geacht dat Harisson in de buurt van het ziekenhuis is gebleven. Kaarten worden bestudeerd en allerlei locaties worden aangekruist. Ook de blokhut staat op een van de lijstjes. Niet bovenaan, maar toch. Ze gaan op pad, nog steeds niet in de zekerheid of iedereen in de eigen groep te vertrouwen is.

Op de een of andere manier moet Anne McGuilre dit met vrouwelijke intuïtie aangevoeld hebben.

We besluiten, nog steeds midden in de nacht, om de blokhut te verlaten en door het bos naar een nabij gelegen dorp te lopen. We zien geen hand voor ogen en we zijn steeds bedacht dat er in het bos elementen kunnen zijn die het op ons leven hebben gemunt. Na een angstige tocht bereiken we met het eerste ochtendlicht het dorpje. Anne gaat alleen op onderzoek uit. Voor zover wij weten is zij de enige van ons drieën die nog niet op tv is geweest naar aanleiding van de verdwijning van de VP. Ze blijkt vele kwaliteiten te hebben, want even later komt ze aanrijden met een auto die ze ‘geleend’ heeft. Als we zitten moet Harrison lachen. ‘De ene week ben je nog de VP en de andere week ben je een autodief. Dit is een behoorlijk slecht script.’ Op het moment dat we wegrijden is een ploeg van de veiligheidsdienst bij de blokhut en weten ze dat we daar geweest zijn, kort geleden zelfs.

We bereiken een grote stad nog voor er roadblocks gezet zijn. De verteller in Joe’s Myth valt stil terwijl iedereen rondom hem aandachtig aan het luisteren is. ‘Nou ja, tot zover had ik het verhaal in mijn hoofd toen ik wakker werd en voor ik in mijn bank plofte om erover na te denken en toen ik dus hier in Joe’s Myth terecht kwam.’ ‘Dat hele verhaal zo met al die dingen had je in een keer bedacht?’ ‘Ja, het begon met het beeld dat de ik in een ziekenhuiskamer is en er dreiging is en dan dat vloerluik ziet waardoor hij samen met degene die op het bed ligt kan ontsnappen. Vandaar komt het idee van een complot, een hoge regeringsfiguur. De ontsnapping en dan het werken naar de ontknoping. Ik had alleen nog geen idee waar het naar toe moest. Daar ging ik over nadenken.’

Er moest nog een flitsende achtervolging inzitten en dan een spannende ontknoping en natuurlijk een romantische belofte tussen de ik en Anne McGuirle. Maar ja, nu zit ik hier te genieten van Joe’s Myth en ik vraag me af of dat niet veel meer een soort gegeven is waar ik over zou moeten schrijven. Ik ben nooit zo’n figuur geweest om zo’n Amerikaans verhaal te schrijven, ik ben meer iemand die graag kijkt naar dit soort films als het maar een beetje spannend in beeld is gebracht. Maar ja, als je ineens zo’n verhaal in je kop hebt, dan mag je niet zomaar beslissen om er niets mee te doen. Voor je het weet heb je de eerste week helemaal geen ideeën meer. Ik zat er dus aan te denken om het toch op een of andere manier op te schrijven. Maar ja, ik heb nog geen plot. Ik weet totaal niet wat voor spannends ik kan verzinnen om te laten gebeuren als ze in de stad komen.

Op dat moment stopte Joe met het poetsen van de mokken en de glazen. Terwijl hij om de counter liep, knoopte hij zijn schort los en ging tussen de toehoorders zitten. ‘Je bent lui,’ zei Joe tegen de verteller, ‘je wilt maximaal resultaat met een minimale inspanning. Het is eigenlijk schandalig dat jij dat talent gekregen hebt. Het zou misschien beter zijn als iemand met werklust en meer geduld zulke invallen zou krijgen. Man, zie je het niet voor je? Dit is echt een script voor een spannende film. Als je het een flauw einde laat krijgen is het idee verkracht. Ik voel gewoon aan je dat je het idee op een rare manier om zeep gaat helpen. We gaan je dus vanaf dit moment een beetje pushen om dat verhaal een waardig einde te geven.’ Hij keek vriendelijk, maar er ging zoveel autoriteit van zijn opmerkingen uit dat iedereen naar de verteller keek met de verwachting dat hij meteen zou doorgaan met zijn verhaal om er een goed einde aan te maken. De verteller keek om zich heen en zag dat hij in ieder geval een poging moest doen om het verhaal naar een spannend einde te brengen. Hij begon weer.

We bereiken een grote stad nog voor er roadblocks gezet zijn. Anna stuurt een parkeergarage in. In de auto smeert ze met haar opmaakspullen make-up op onze gezichten. Ze had onderweg in een klein winkeltje zonnebrillen, petten en wat kleding gekocht. Het is verbazingwekkend hoe snel we er anders uitzien. We gaan lopend op weg naar een hotel in een achteraf straat omdat we denken daar het meest onopgemerkt te blijven. Anne betaalt met geld dat ze in haar tas heeft zitten. We weten dat we nergens onze creditcards kunnen gebruiken. Dit zou meteen onze positie verraden.

We schuiven daarna de donkere gang over terwijl de uitbater ons nakijkt. We ervaren het als prettig dat de gang slecht verlicht is. Dan komen we in de sleazy kamer aan. Het ruikt er muf, maar het voelt veilig. We kijken in telefoonboeken naar adressen van tv-stations. Op twee stations met de metro verwijderd vinden we een lokaal station van een landelijk netwerk. We ontkomen er niet aan om weer een teken van leven te geven. Hoe meer de aandacht getrokken van het grote publiek, des te groter worden onze overlevingskansen zo redeneren wij. Zolang we nog niet opgemerkt zijn kunnen we onze eigen agenda nog volgen.

We besluiten dat we deze keer met z’n drieën naast elkaar op de foto moeten staan. Dat roept in ieder geval vragen op over de enscenering en we gaan er van uit dat de cover van Anna nu wel doorgeprikt is door de veiligheidsdienst. De bekendheid van al onze gezichten bij het publiek is een soort levensverzekering. Een onzekere levensverzekering dat wel, maar in ieder geval beter een slechte dan helemaal geen. Met de camera van Anne maken we de foto. Niet veel later heeft Anne een geheugenstick in een envelop gedaan en schrijft daarop: ‘Harisson’. We wachten na aflevering op onze kamer bij de tv om te kijken wanneer het nieuws van de foto op de tv komt.

Het duurt uren, we speculeren of de stick is onderschept door de veiligheidsdienst. Maar dan is er breaking news. De foto die we die middag gemaakt hebben verschijnt op de buis. Anne is op het idee gekomen om een tekst op de foto omhoog te houden met daarop: ‘Wie is te vertrouwen?’ De nieuwslezers ontploffen zowat van opwinding. Binnen enkele minuten schakelt zowat elk tv-station over naar het nieuws over de nieuwe foto en worden de normale uitzending onderbroken. Over elk aspect van de foto wordt gespeculeerd. Er staan nu drie mensen op de foto. Waarom? Waarom houdt de vrouw die tekst omhoog, de vrouw van wie we inmiddels weten dat het Anne McGuirle is die als verpleegster werkt in het ziekenhuis waar de VP Harrison naar toe is gebracht. Hetzelfde ziekenhuis waar een explosie heeft plaatsgevonden.

Bij de afdeling Internal Affairs werkt een ambitieuze jonge agent die begrijpt dat het voor ons onmogelijk is om wie dan ook te vertrouwen. De tekst heeft geen andere betekenis, daar is hij van overtuigd. Hij overreed zijn chef om openheid van zaken via de media te geven zodat wij begrijpen dat er een groot intern onderzoek plaatsvindt. Het wordt snel opgeschakeld. Uiteindelijk wordt er vanaf het hoogste niveau toestemming gegeven om via de media over het interne onderzoek te reppen. Het nieuws over een complot binnen de veiligheidsdienst slaat in als een bom. Spoedig gonst het van de geruchten over de implicaties daarvan.

De president voelt zich genoodzaakt om de noodtoestand uit te roepen. Het hoogst ongebruikelijke gebeurt. Militairen met tanks verschijnen in de straten om de rust te bewaken. Niemand van het publiek is echter zeker of de militairen aan de goede of de verkeerde kant staan. Op de televisie verschijnen beelden van groepen burgers, zakenmensen, arbeiders, studenten en zelfs hier en daar politieagenten, die zich te weer stellen tegen het dreigende militair vertoon. Hier en daar wordt het zo dreigend dat er zich incidenten voordoen. Een militair wordt zo bedreigd dat er schoten vallen.

Wij zitten in onze hotelkamer en volgen het nieuws ademloos. Dan wordt er geklopt op de deur. We zitten meteen stijf overeind. We wisten dat het moment eens daar zou zijn dat we ontdekt zouden worden, maar we hadden het niet nu verwacht. We vragen wie er aan de deur staat. Het is even stil en dan klinkt de zenuwachtige stem van de hoteleigenaar die vraagt of hij ons even kan spreken. We zien voor ons hoe de situatie aan de andere kant van de gang moet zijn. Waarschijnlijk staan er achter en naast de hoteleigenaar gewapende schutters van het leger of veiligheidsdienst.

Anne pakt zonder aarzeling de telefoon. Ze roept naar de deur: ‘Even wachten, ik trek even wat fatsoenlijks aan.’ Ze draait het nummer van het tv-station en geeft het adres door waar we zitten. Als we dan ten onder moeten gaan, dan maar voor het oog van de wereld. Maar als de pers er op tijd bij is hebben we misschien betere overlevingskansen. Ze kan nog maar nauwelijks het adres van het hotel doorgeven of de deur van de hotelkamer wordt opengebeukt en staat de kamer vol met militairen. Het moment dat er klikkende wapens op ons gericht zijn duurt eindeloos.

Dan treed er een officier de kamer binnen die op Harrison afloopt en salueert. ‘Meneer de Vice-President, het is me een eer u in veiligheid te kunnen brengen.’ Harrison staat op en salueert terug. Hij kijkt naar de naam die op het uniform staat. ‘Kolonel Potter, het is voor ons een eer om door u in veiligheid gebracht te worden.’ Potter wil aanstalten maken om Anne en mij af te voeren, maar Harrison is resoluut. ‘Deze mensen blijven nu bij mij totdat we totaal gezekerd zijn.’ Gedrieën lopen we tussen de militairen die hun wapens in de aanslag houden, bedacht op een plotse aanslag. Terwijl we zo naar buiten lopen en naar een pantservoertuig worden gebracht komt er een televisiewagen aangereden die de scene dat we instappen wil filmen. Als de militairen dit proberen te verhinderen houdt Harrison zijn handen omhoog. ‘Het is nu de tijd,’ zo zegt hij tegen Potter, ‘dat we in de openbaarheid gaan om de rust in het land terug te laten keren.’ Harrison loopt omringd door militairen naar de camera.

Als hij microfoons voor zich krijgt, zegt hij: ‘Vandaag leert ons dat democratie en vrijheid geen vanzelfsprekende zaken zijn. We zijn het meest beducht op de gevaren die ons van buiten af bedreigen. Maar nog veel gevaarlijker zijn de krachten die van binnen uit onze democratie en vrijheid bedreigen. Zoals we hier staan, zijn we allen verantwoordelijk voor het bewaken van de democratie en vrijheid. Zoals we eerder gevaren van buiten hebben weerstaan, gaan we nu gevaren van binnen uit weerstaan.’

Op dat moment klinkt er een schot en Harrison zakt in elkaar. Er is paniek onder de militairen. Ze weten door alle echo niet meteen waar het schot vandaan kwam. Ze slepen Harrison onder de armen naar de gepantserde auto waar hij in geduwd wordt en waarop deze met hoge snelheid wegrijdt. In alle commotie worden wij vergeten. Militairen trekken zich terug en de mensen rennen door de straten. Het is een volkomen chaotische toestand. Dan komt de jonge veiligheidsagent waarvan eerder sprake was in een auto aanrijden. Hij draait het raam open, we zien dat hij alleen is. ‘Stap in.’ Hij schreeuwt naar ons.

We aarzelen, maar er klinkt nog een schot. De kogel slaat vlak naast Anne in het wegdek. Nu aarzelen we niet meer en we springen zo snel als we kunnen in de auto. De jonge veiligheidsagent geeft vol gas en piepend en slingerend rijden we weg. Er zijn dikke wolken rook te zien van het verbrande rubber van de banden. Er klinkt een harde tik op het dak van de auto. ‘We liggen onder vuur, hou je vast.’ Hij draait snel een zijstraat in en daarna nog een. Dan stelt hij zich voor: ‘Ik ben agent Sherhan van Internal Affairs van de veiligheidsdienst. Het is mijn taak om jullie naar een veilige plek te brengen. De moeilijkheden zijn nog niet over.’ Dan stelt Anne hem de vraag: ‘Hoe weten we dat je te vertrouwen bent?’ ‘Ik ben te vertrouwen, maar ik kan jullie geen reden geven om mij te vertrouwen. Het is mijn taak om jullie in veiligheid te brengen en in leven te houden. Ik weet ook niet wie precies aan de goede of de slechte kant staat. Door het mislukken van de aanslag op de VP is een staatsgreep behoorlijk misgelopen. Ze hadden dat waarschijnlijk heel anders gepland. Maar we moeten er rekening mee houden dat het wel georganiseerd is. Tot we zekerheid hebben, kunnen we niemand vertrouwen.’ Anne en ik kijken elkaar aan. Hij ziet het in zijn spiegel en zegt: ‘Luister, zonder hulp zijn jullie ten dode opgeschreven.’ ‘Ok, we vertrouwen je,’ Anne zegt het snel en gespannen. ‘wat gaan we nu doen?’

Sherhan concentreert zich op het ontwijken van obstakels in de chaotische straten. Als we weer door kunnen zegt hij: ‘We gaan naar een plek die veilig is. Ik kan er nu nog niets over zeggen, dat kan ik pas als we er zijn.’ We rijden een parkeergarage in en wisselen van auto. Het gaat allemaal zo snel. Niet veel later wisselen we weer van auto. Uiteindelijk komen we aan bij een huis buiten de stad waar we een ommuurd terrein via een poort binnenrijden. Binnen zijn meerdere veiligheidsagenten die met wapens in de hand elke beweging buiten de poort volgen. We worden naar een huis gebracht dat als een fort tussen de bomen gelegen is. We krijgen kamers toegewezen om wat te slapen. Ik denk in mijn kamer na over alle gebeurtenissen die zich de laatste dagen hebben afgespeeld. Hoewel ik verwachtte niet te kunnen slapen ben ik snel in diepe rust en vergeet even alles rond me.

Midden in de nacht word ik wakker gemaakt en word ik naar buiten geduwd. Niet veel later zit ik alleen in een auto en rijden we met hoge snelheid weg. Ik zie niet waar ik ben, alleen de koplampen verlichten een stukje weg, links en rechts is volslagen duisternis. ‘Waar is Anne?’ Ik vraag het aan de twee kleerkasten die in de auto zitten met wapens in de aanslag. ‘ieder van jullie gaat naar een aparte plaats omdat dat veiliger is.’ We razen uren door de nacht en als eindelijk het eerste licht verschijnt zijn we bij een stad en daar word ik ondergebracht in een appartement met agenten die mijn bewegingen volgen en ook agenten voor de deur. Ben ik bevrijd of ben ik gevangen genomen? Ik weet het niet meer. Agent Sherhan is niet meer te zien en ik hoop voor Anne dat hij bij haar is gebleven zodat ze zich niet te ongerust zal maken.

Veel tijd om me de omgeving eigen te maken is er niet. Na een korte tijd is onze locatie ontdekt door de tegenpartij. Op de gang klinkt een schotenwisseling. Dan is het weer even stil. De deur gaat open en een van de agenten die bij mijn bewaking hoort schreeuwt naar ons: ‘Naar boven, naar het dak.’ We rennen trappen op, agenten voor me en achter me dekken me. Op het dak staat een helikopter met draaiende wieken die een gierend geluid maakt. Zo gauw ik zit en twee agenten bij me aan boord zijn gesprongen stijgen we op en draaien we hoog weg.

Ik zie Anne pas weer maanden later. We zijn dan allebei naar Europa gevlucht en we worden nog steeds bewaakt. Nu door een Europese veiligheidsdienst. Ons weerzien was emotioneel. Het laatste beeld waarmee dit verhaal gaat eindigen is een beeld van ons tweeën als we bij een kampvuur zitten. Ons land is op dat moment in de greep van een dictatuur. Op enkele plaatsen lijken nog haarden van verzet, maar de staatsgreep is een feit. We zijn nu tot elkaar veroordeeld. Op de televisie van ons land, die we hier via de satelliet kunnen ontvangen, komt zo nu en dan een reportage over ons. We zijn nog steeds ‘most wanted’, de moord op Harrison, de noodtoestand, al dit soort zaken wordt ons in de schoenen geschoven. We weten niet wat er van de agenten is geworden die ons in veiligheid hebben gebracht, maar we vrezen het ergste.

De verteller in Joe’s Myth zwijgt nu. Joe begint langzaam te applaudisseren en de andere gasten zetten ook een kort applaus in. Joe zegt als het weer stil is: ‘Wel, dat is een heel aardige opzet voor een verhaal, nu nog een beetje schematisch, het moet natuurlijk nog wat verder uitgewerkt worden, maar het is een heel aardig verhaal. Er zitten goede wendingen in, je moet de dialogen natuurlijk nog invullen, maar het kan heel aardig worden. En als het ooit verfilmd wordt, dan is het niet zo’n geijkt Amerikaans einde. Amerika waar nu eens niet de goeden winnen, maar eindigt in een onzekere toestand. Ik verzeker je dat vroeger of later, het kan misschien nog tien jaar duren of vijftig jaar, maar vroeger of later zal dat scenario van jou op de een of andere manier werkelijkheid worden.’

Een van de overige gasten bij Joe’s Myth zegt: ‘Maar het geeft niet, waar je ook bent of wat je ook bent. Iedereen kan terecht bij Joe’s Myth waar er maar één vriendelijke dictator is en dat is hier, deze fantastische gastheer, onze Joe.’ ‘Ja’, roept iemand anders. ‘Laten we drinken op onze gastheer Joe. Joe geef ons wat te drinken zodat we het glas op je kunnen heffen en daarna op dat aardige verhaal van een staatsgreep in Amerika.’ Terwijl Joe de glazen volschenkt rijdt buiten, in de schemering en een warme lenteregen, een brandweerauto voorbij. De bemanning met wapperende gele jassen. Een jongetje rent op de stoep een eindje mee. We roepen naar elkaar en lachen: ‘Wie z’n kat zit er nu weer in de boom?’

Het zal altijd in orde zijn hier in deze plaats genaamd: ‘Joe’s Myth’.

© Leo Burger 2009