Je pappa is dood, knul

‘Mamma, pappa?’ Hoewel het minder nacht was, het licht anders en ik angstig, hoopte ik dat niemand me gehoord had. Ik keek over de rand van het bed en zag een onmetelijke diepte. Buiten stond een dronken man bij een lantaarnpaal, hij had zijn ziel gekerfd met stukgeslagen dromen. Is er ergens een vader die ons kan beschermen? (Je pappa is dood, knul)

‘Mamma, pappa….’ Ik probeerde het nu geluidloos uit te brengen om geen aandacht te trekken. Ik proefde de troost die van de woorden uit hoorde te gaan, maar de smaak was metaalachtig en giftig.

In de loop van de ochtend zouden de monsters de vorm aannemen van mijn ouders, mijn broertje en mijn zusjes. Tot die tijd moest ik roerloos wachten. Ik zou doen of ik niets gemerkt had.

Ik loop jaren later langs de verlichte ramen van de gelukkige gezinnen. De wind is in mijn rug en hoop dat ik er ooit in een universum ergens thuis kan geraken. Maar mijn ziel is gekerfd door stukgeslagen dromen. Er was nooit enige hoop.