Holbert Humes had de gave van helende handen. Als hij iemand aanraakte nam hij pijn en koorts weg en genas hij wonden en breuken. Bijna niemand wist dat hij deze gave had en hijzelf ontkende dat het zo was.
Zijn hele leven stond in het teken van mislukking. ‘Twaalf ambachten en dertien ongelukken’, verzuchtte zijn onderwijzer, bij wijze van voorspelling. Als dat een teken van zijn helderziendheid moest zijn, dan had de loopbaan van Holbert Humes hem het bewijs geleverd. Holbert Humes was nu echter al meer dan een decennium nachtportier in een hotel.
Nacht na nacht vervulde hij zijn eenvoudige taken en na gedane arbeid ging hij naar huis waar hij van lucifers kastelen bouwde. Dan sloot hij het verduisteringsgordijn om het daglicht buiten te sluiten en probeerde hij in een droomloze slaap te vallen. Dat laatste lukte maar zelden. Keer op keer droomde hij van mensen die pijn hadden of in nood verkeerden.
Elke avond laat ging hij de stille straten door naar het hotel en nam daar de dienst over van de avondploeg. Hij maakte als eerste een ronde waarin hij nauwgezet de deuren en ramen naliep. Hij liep door alle gangen en speurde of er onraad was. Dan nam hij plaats in een fauteuil in de lobby en wachtte op de dingen die komen gingen.
Soms kwam iemand naar beneden om een praatje te maken. Voor late thuiskomers maakte hij de deur open en moest hen soms tot stilte manen als ze aangeschoten waren. Hij deed dit alles met een toewijding die maakte dat, zijn aanwezigheid alleen al de goede gang van zaken verzekerde.
Op een nacht zat er ineens een Engel in een van fauteuils tegenover hem. De Engel had geen vleugels maar Holbert Humes wist dat het een Engel moest zijn. Holbert keek lang naar de Engel en probeerde te doorgronden waarom deze daar tegenover hem was gaan zitten. Hij had zelf een vraag kunnen stellen om het gesprek te beginnen, maar dat deed hij niet. Dat deed hij ook niet bij de gasten die een praatje kwamen maken. Hij liet altijd de ander beginnen.
De Engel keek op een intense manier naar de handen van Holbert Humes. Deze volgde de blik van de Engel en keek ook intens naar zijn handen die warm aanvoelden. ‘Ik doe het goede al.’ Holbert beantwoordde een vraag die in hemzelf kwam opwellen. Zijn stem klonk onzeker door de stille lobby. Op dat moment verdween de Engel en keek Holbert Humes naar de lege fauteuil tegenover hem.
Beschaamd keek hij om zich heen. Dit was voor het eerst in al die jaren dat hij hier werkte en dat hijzelf de stilte doorbroken had. Toen een kwartier later een van de gasten naar beneden kwam voelde hij zich toch nog betrapt, ook al leek er geen sprake van dat deze vrouw wat gehoord kon hebben. Ze greep naar haar hoofd toen ze de lobby kwam binnenwankelen. ‘Ik heb zo’n ondraaglijke hoofdpijn.’ Op dat moment zeeg ze ter aarde.
Holbert Humes sprong op en was bij haar nog voor ze de grond goed en wel had geraakt. Toen ze met haar hoofd op zijn schoot lag keek hij om zich heen. Er moesten nooddiensten gebeld worden. Was er een kussen waar hij haar hoofd op kon leggen als hij naar de telefoon snelde? Toen raakte hij haar hoofd aan met zijn handen. Er ging een kleine siddering door haar lichaam en daarna ontspande ze. Ze sloeg haar ogen op en zuchtte. ‘Dankjewel, het is over’, zei ze en ging rechtop zitten. Verbaasd voelde ze nog een keer aan haar hoofd. ‘Het is wonderbaarlijk, het is echt over.’
Even later maakte Holbert Humes een glas melk warm voor haar en bracht die naar haar kamer. Ze lag op bed en klopte op de rand ervan waarmee ze hem noodde te gaan zitten. Nog nooit had hij zich in kunnen denken dat hij gehoor zou geven aan gedrag dat in zijn ogen niet hoorde bij zijn rol als nachtportier. Maar hij ging toch zitten en reikte haar het glas melk aan.
‘Zo gauw je mijn hoofd aanraakte was ik van mijn ondraaglijke hoofdpijn af. Ik voel me beter dan ik me in maanden gevoeld heb. Ik ben aan mijn laatste vakantiereisje bezig, maar ik voel me nu alsof ik nog jaren op vakantie zal kunnen. Ik ben opgegeven, moet je weten. De dokters geven me nog een paar maanden. Wil je nog even je handen op mijn hoofd leggen? Het voelt zo goed.’
Nadat ze in slaap was gevallen deed hij het licht uit in de kamer en sloot de deur achter zich. Hij bracht eerst het lege glas naar de keuken en ging toen terug naar de lobby. Hij verwachtte de Engel te zien, maar hij was alleen. Holbert Humes keek naar zijn handen die in zijn schoot gevouwen waren. Hij haalde zijn schouders op.
In het onstuimige ochtendlicht ging hij huiswaarts. De straten werden schoongespoten, de neringdoenden stalden hun waren uit voor hun winkels. De bakker stond na vroege arbeid voor zijn deur een sigaret te roken. Een sinaasappel rolde over de stoep en kwam tot stilstand voor de voeten van Holbert Humes. Hij raapte hem op en reikte hem aan de groenteboer. ‘Neem maar, ze zijn lekker sappig.’ Hij dankte de groenteboer die hem kende van al die jaren langskomend van werk naar huis van gezicht.
Hij ging zitten achter de tafel met het kasteel dat zo kunstig in elkaar gezet werd door hem. Hij veilde en knipte en lijmde aan een waterput tot het tijd was om te gaan liggen. Hij sloot het verduisteringsgordijn en in het duister, op de tast, schuifelde hijtastte hij midden op de dag naar zijn bed. Dit keer droomde hij niet van mensen in nood of met pijn. Hij droomde dat er een gestalte op hem afkwam die naar zijn handen keek. ‘De Engel’, probeerde hij zijn stem in zijn droom te laten zeggen. Maar hij kon geen geluid uitbrengen. Toen hij wakker werd scheen de zon naar binnen. Toch wist hij zeker dat hij het verduisteringsgordijn dicht had gedaan.
Het was een paar weken later op een zwoele avond na een snikhete dag waarin hij op weg naar zijn werk liep. Overal zaten mensen voor hun deuren om de warmte in de huizen te ontvluchten. Links en rechts werd hij begroet. Niet bij zijn naam, maar met herkenning. Ze zagen hem al jaren gaan, maar niemand kende zijn naam. In het hotel was een aangename koelte van de airconditioning. Winter of zomer, het maakte niet uit. Het hotel was altijd aangenaam.
Na zijn ronde nam hij in de lobby plaats op zijn vaste plaats. Toen Holbert Humes naar de balie keek viel hem een envelop op die hij eerder nog niet gezien had. Holbert Humes stond op en pakte de envelop die aan hem gericht was.
‘Beste meneer Holbert Humes, ik wil u op deze manier bedanken voor wat u voor mij hebt gedaan. Na mijn thuiskomst moest ik voor onderzoek naar het ziekenhuis en de dokters waren perplex. De tumor was niet meer te zien. Men heeft mij gezegd dat dit eens in de miljoen keer voorkomt zonder verklaarbare oorzaak. Maar ik ken de oorzaak van mijn genezing en dat zijn uw helende handen. Ik blijf u altijd erkentelijk.’
Holbert Humes huiverde. Hoewel de boodschap vriendelijk was en haar dankbaarheid hiermee uitte, was hij verontrust. Hij wilde zijn werk als nachtportier in anonimiteit kunnen blijven doen. De brief kon een voorbode zijn van gebeurtenissen die zijn gekoesterde bestaan konden bedreigen. Hij vouwde de brief zorgvuldig op en deed hem in de binnenzak van zijn uniformjasje. Hij sloot zijn ogen en nam zich voor niet nog een keer een van de hotelgasten aan te raken om elk misverstand te voorkomen.
Ineens had hij het gevoel dat hij niet alleen was. Hij opende zijn ogen om te voorkomen dat men dacht dat hij sliep. Bij de deur naar de gastenverblijven stond de Engel zwijgend. Verbeeldde Holbert het zich, het leek of de Engel afkeurend zijn hoofd schudde. Nee, de Engel maakt een beweging met zijn hoofd naar de gang om te duiden dat Holbert hem moest volgen. Holbert Humes stond op en ging in de richting die de Engel hem wees.
Uit de kamer klonk een hartverscheurend gehuil. De Engel wees op de deur met het gebaar dat beduidde dat hij moest aankloppen. Zo deed Holbert. Binnen zat een oudere vrouw te huilen bij haar hondje dat op bed lag. Het beestje was nog warm, maar ademde niet meer. ‘Hij viel ineens neer en nu is mijn lieverd dood.’ Holbert keek om naar de gang om te vragen wat de Engel wilde dat hij deed. Maar de gang was leeg en Holbert moest zelf een beslissing nemen.
Op het moment dat Holbert Humes het hondje aanraakte wist hij dat zijn leven zoals hij dat gekend had bijna voorbij was. Hij tilde het hondje op en langzaam kwam er weer leven in. Niet veel later dartelde het beestje door de kamer. De vrouw keek Holbert in verbijstering aan. Holbert verliet de kamer zonder wat te zeggen.
Twee dagen later wilde de gerant van het hotel hem spreken. ‘Er zijn nu twee voorvallen in ons hotel geweest die wat uitleg vereisen. Ik wil weten wat er aan de hand is.’ Holbert Humes verzekerde de gerant dat er niets aan de hand was. Ja, hij wist van de dame met haar hoofdpijn en ja, hij wist van het hondje. Maar hij was net zo onwetend als wie dan ook. Het moest een stom toevallige samenloop van omstandigheden zijn geweest. De gerant keek hem doordringend aan. ‘Ik wil geen occulte toestanden in mijn hotel.’ Na deze streng uitgesproken berisping ging Holbert Humes naar huis.
Holbert Humes liep afwezig door de straten naar zijn huis. Hij zag de mensen niet en de mensen merkten hem niet op. Voor het eerst in jaren werkte hij niet aan zijn kastelen. Hij keek uit het raam en ging met open gordijn op bed liggen. Hij viel in slaap. Hij merkte de Engel die naar hem keek niet op.
In zijn droom kwam zijn moeder hoofdschuddend op hem af. Holbert Humes kon slechts zijn handen omhoog houden in een gebaar dat machteloosheid uitdrukte. In zijn droom kwam er licht van zijn handen. ‘Ik heb het altijd geprobeerd te verbergen.’ Zijn moeder verdween en hij voelde een diep verdriet. Moest het altijd zo gaan?
Het was heet in zijn huis. Het verduisteringsgordijn hield normaal veel warmte tegen. Nu was het verstikkend, ondraaglijk heet. Geheel anders, dan zijn normale routine, ging Holbert Humes, uren voor hij moest werken, de straat op om verkoeling te zoeken. Hij zwierf door de buurt die hij niet goed kende, ondanks de jaren dat hij er woonde. Hij kende elke straatkei, elke stoeptegel van de weg van en naar zijn werk. Maar zo gauw hij een zijstraat inliep was alles vreemd. Maar de huizen en de mensen waren van een zelfde soort als in zijn eigen buurt. Vrachtwagenchauffeurs, kleine middenstanders, loodgieters en bouwvakkers. Er zaten goede mensen tussen, maar ook verdorven zielen.
Vrouwen hingen uit het raam om te praten met de buurvrouw, verliefde stelletjes zaten op balkons en waanden zich boven het leven verheven. Jongetjes liepen in groepjes pochend, de mannen praatten daar met de handen in de diepe zakken. Een wandelaar als Holbert Humes viel op omdat hij niet in die straat woonde. Maar zijn vriendelijke gezicht liet hier en daar een vage blik van herkenning achter. Links en rechts werd hij met een knik begroet door de mannen, de vrouwen bekeken hem met goedkeuren. Toch zou niemand hem later kunnen beschrijven, sommigen waren hem zelfs vergeten.
Zo kwam hij, bijna toevallig en nog uren te vroeg, in de buurt van zijn werk. Op het plein voor het hotel stond de fontein waar hij op een bankje ging hij zitten. Hij verkoelde zijn nek met het water van de fontein. Hij kon nu op huis aan om zijn portierspak aan te trekken en dan terug te keren.
Toen kwam er uit een van de steegjes een groep kwajongens die zo het plein op renden. Een ervan struikelde en slaakte een gil. Een ogenblik later stond er een druk pratende en uitdijende kring rond het joch die het bloed uit zijn steeds bleker wordend hoofd zagen stromen. Iemand gilde om een dokter, maar niemand ging ook daadwerkelijk op weg. Holbert Humes keek tegen de ruggen aan van de mensen in de kring. Hij hoorde het commentaar over het stervende ventje, maar zonder de kreten wist hij ook wel wat er aan de hand was. Zijn handen gloeiden en naast hem zat de Engel.
Terwijl hij zich een weg baande door de kring kwam van de andere kant de moeder van de knul. Ze knielden op hetzelfde moment neer bij de jongen toen deze met zijn laatste adem “Mamma” zuchtte. De vrouw keek van het gezicht van haar zoon naar Holbert Humes. ‘Wat moeten we doen?’ Ze sprak en keek hem wanhopig aan. Holbert tilde de knul op en liep met vastberaden stappen naar de fontein, de menigte maakte eerbiedig ruimte. Bij de fontein legde hij zijn handen op het hoofd en even later keek de jongen verbaasd naar de menigte en naar Holbert Humes. Deze sprenkelde water op het bebloede hoofd en toen stond Holbert Humes op.
Als toevallig keek hij naar het hotel waar hij de gerant ontwaarde die hoofdschuddend het tafereel bekeek en zijn vinger in een afkerend gebaar heen en weer bewoog. Het leek alsof hij per meteen ontslagen werd. Holbert Humes zag het in een flits. Hij wilde snel naar huis om de menigte te ontvluchten. Hij liep sneller en sneller, tot de laatste achtervolgers verdwenen waren en hij zijn straat in liep. Daar bleef hij hijgend staan. Er kwamen weer mensen aanlopen, maar ze liepen hem voorbij. Het rumoer was vanwege een brand. Holbert Humes strompelde naar huis. Het was zijn huis dat in brand stond.
Hij liep in de rokende gang en sprong naar zijn deur. ‘Ik moet wat spullen redden’, zonder dat hij een idee had wat hij zou willen redden. Op de deur van de overloop naast hem werd gebonkt. Het waren het buurmeisje en buurjongetje die achter een gesloten deur zaten. Hun moeder was aan het werk. Holbert Humes sprong naar die deur en trapte hem open. Van de straat uit was te zien dat hij de kinderen uit het gebouw tilde, weg van de rook, weg van de vlammen en daarna weer terug ging. Op de etage, hoger dan de zijne hoorde hij ook rumoer van mensen in de val. Hij liep door de vlammen naar de deur en ook deze trapte hij open. Weer kwam hij naar buiten met twee ouwetjes stevig in de greep. Hij ging een laatste keer terug om te doen waar hij voor gekomen was. Maar de trap stortte in.
Hij werd wakker in een witte ziekenzaal met een wit bed en naast hem een verpleegster in het wit. ‘Is dit de hemel?’ vroeg hij verbaasd. ‘Nog niet’, lachte de verpleegster guitig. Ze liep om zijn bed en sprak tot hem: ‘Je handen zijn erg verbrand. Zo erg zelfs dat je het bijna niet meer kunt voelen. Ik ga mijn uiterste best voor je doen. We hebben hier niet iedere dag een mensenredder.’ Holbert Humes keek verbaasd naar haar donkere ogen die zowel ernst als een niet te stuiten levenslust uitstraalden. Ze legde haar handen op zijn hoofd, ‘Ja ja, ik weet wel wat je gedaan hebt. Je krijgt nu een spuitje waar je van gaat slapen.’
Toen hij weer wakker werd klapte ze in haar handen. Of werd hij wakker door haar geklap? ‘De dokter kom zo langs op zijn ochtendvisite. Ik ga het verband losmaken. Kom op luilak.’ Ze had een onweerstaanbare manier van doen en hij liet haar gedwee zijn verband afnemen. Ze plukte als laatste de vette gazen van zijn verbrande huid. Hij keek verbaasd naar wat er van zijn handen overgebleven was. Net zoals de dokter die ernstig bleef kijken nadat hij al weer weg was.
‘Ik ga mijn best voor je doen, het komt allemaal goed.’ Ze zei het met ernst en een lach, die elke lamme zou doen lopen. Ze pakte met de hare zijn handen vast en na een tinteling voelde hij zijn handen weer worden zoals hij ze altijd al kende. Hij keek haar vragend aan. “Sssst”, fluisterde ze zachtjes terwijl ze haar vinger voor zijn lippen hield terwijl ze met haar andere hand haar uniform ontknoopte. ‘Net als de anderen heb ik een tijdje op je gewacht, maar nu ben je hier,’ zei ze zachtjes toen ze met haar warme lijf tegen hem aan kroop. Ze spreidde haar vingers en greep zijn handen. ‘Hallo Holbert Humes.’
© 2009 Leo Burger