Hoe het eerste verhaal op reis ging

Er was eens een vreemdeling die een lange reis maakte. Het was niet zomaar een vreemdeling, want het was een tovenaar, maar dat wist niemand. Waar hij vandaan kwam wist niemand en of hij er nu nog is weet ook niemand.

Op een dag, heel lang geleden, kwam hij bij een dorp waar de mensen heel goed leefden. Iedereen hoorde bij elkaar, er was alle tijd en alle dingen in het dorp waren van iedereen. De vrouwen en de kinderen gingen als dat nodig was naar het bos waar ze honing, vruchten en noten haalden. De mannen gingen jagen als dat nodig was. Er was nooit een moment van ongeluk of eenzaamheid in dat dorp. Als iemand pijn had, voelde iedereen mee. En als er iemand dood ging dan was iedereen verdrietig, maar de doden bleven altijd voortleven in de verhalen en werden nooit vergeten. Het was een heel bijzondere gebeurtenis voor het dorp dat die vreemdeling, op zijn lange reis daar aankwam.

Hij werd goed onthaald. Hij kreeg noten, vruchten, honing en vlees en na de maaltijd vertelde hij van de plaatsen waar hij geweest was en van andere dorpen waar hij op bezoek was geweest. Hij kwam van heel ver, dus de verhalen waren wonderlijk en de mannen, vrouwen en kinderen van het dorp luisterden ademloos. Toen hij na een paar dagen weer op reis ging haalde hij een stenen beeldje te voorschijn en gaf dat aan de oudste van het dorp. Zo kwam er bezit in het dorp. Nooit tevoren had iemand in het dorp iets van zichzelf gehad. Alles was altijd van iedereen geweest. Maar omdat de vreemdeling het beeldje aan de oudste had gegeven was er voor het eerst iets in het dorp wat niet van iedereen was. De oudste die het beeldje altijd bij zich droeg, wilde niet dat anderen het aanraakten. In de nacht lag hij vaak wakker omdat hij bang was dat anderen het zouden afpakken. Het was alsof er een boze wind door het dorp ging. Voor het eerst in het bestaan van het dorp wisten de mensen soms niet wat ze tegen elkaar moesten zeggen. Als ze zouden praten zou het toch maar weer over dat beeldje gaan en dan voelden ze boosheid of afgunst. Iedereen, behalve de oudste, probeerde te vergeten dat het beeldje er was, maar dat konden ze niet.

Op de dag dat de oudste doodging begonnen de problemen pas goed. Er werd lang gesproken over wat ze met dat beeldje moesten doen nu de oudste het niet meer bij zich kon dragen. Ze durfden het beeldje niet samen met de oudste te begraven. Als een van de doden iets had wat de andere doden niet hadden, dan zou de rust van de doden verstoord kunnen raken. Als ze het beeldje echter niet met de oudste zouden meegeven, dan kon hij boos worden en kwaadspreken over de levenden. Dat kon ongeluk brengen voor het dorp.

Uiteindelijk werd er besloten dat het beeldje weer teruggeven moest worden aan de vreemdeling die het gegeven had. Hij moest maar besluiten wat er mee moest gebeuren. Het beeldje was nu het probleem van de vreemdeling en niet meer van het dorp. Het leek net of de boze wind uit het dorp verdween. Iedereen kon weer lachen en na de avond dat het besluit gevallen was sliep iedereen weer alsof het stenen beeldje er nooit geweest was.

De andere ochtend was de opluchting uit het dorp verdwenen. Waar moest de vreemdeling gevonden worden? Wie moest op reis gaan om het beeldje terug te brengen? Stel dat de vreemdeling boos werd en het beeldje niet terug wilde hebben, wat zou er dan gebeuren? En zo gingen alle gesprekken maar door en door en al die tijd kon de oudste niet begraven worden.

Nu was er in dat dorp een jonge jager die de sterkste van iedereen was en die altijd het meeste durfde. In alle gesprekken over het beeldje en de begrafenis van de oudste had hij het minste gezegd. Op een nacht stond hij op, nam het beeldje en begon te lopen in de richting die de vreemdeling destijds was gegaan. De jager had niemand iets gezegd, ze merkten zijn nachtelijke verdwijning en de verdwijning van het beeldje pas de volgende ochtend.

Dat was de tweede keer dat iemand in dat dorp iets deed zonder dat iedereen er over had kunnen spreken. Eerst had de oudste niet willen luisteren naar de anderen en het beeldje voor zichzelf gehouden. Nu was de jonge jager er vandoor gegaan met het beeldje, zonder dat iemand wist wat hij van plan was. Iedereen keek elkaar aan en vroeg zich af wie de volgende zou zijn die iets zou gaan doen zonder de anderen erover te raadplegen.

Er werd weer lang gesproken. Er werd gezegd dat iedereen moest luisteren naar elkaar. Toen het leek dat iedereen weer vertrouwen had in iedereen werd besloten dat het probleem van de verdwenen jager en verdwenen beeldje aan de dode oudste zou worden verteld en dat hij daarna begraven zou worden.

Er gingen maanden voorbij. Er kwam weer vrede in het dorp. Totdat de verdwenen jager weer terugkeerde. Hij was niet meer dezelfde man die hij was toen hij het dorp verliet. Wat er nog wel precies hetzelfde was, was het beeldje dat hij nog steeds bij zich droeg. Het was hem niet gelukt om de vreemdeling te vinden. Doordat hij zo veranderd was, was hij een vreemde voor het dorp geworden.

Het dorp beraadde zich wat ze met hem en het beeldje moesten doen zonder dat hij er bij mocht zijn. Er werd besloten dat de jonge verdwenen jager die teruggekeerd was het beeldje bij zich moest houden en dat hij niet meer in het dorp mocht wonen. De jonge verdwenen teruggekeerde jager sliep de eerste nachten buiten het dorp in een boom. Maar omdat hij bij de grond hoorde en niet ver van de doden wilde zijn, bouwde hij een hut vlak bij het dorp.

Hoewel het dorp besloten had dat iedereen moest doen of de teruggekomen verdwenen jager er niet meer was, brachten sommige jonge vrouwen hem stiekem een bezoek als ze noten en vruchten gingen halen in het bos. Ze wilden alleen met hem zijn om naar zijn verhalen te luisteren en naar het beeldje te kijken. De teruggekomen verdwenen jager was blij met het bezoek omdat hij zich eenzaam voelde. Hij vertelde graag verhalen en liet hen het beeldje zien. Als de jonge vrouwen terugkwamen in het dorp probeerden ze te verbergen dat ze bij de teruggekeerde verdwenen jager waren geweest. Er werd geroddeld en er kwam ruzie, heel veel ruzie.

Er kwam zoveel ruzie dat het dorp zich in tweeën deelde. Jonge vrouwen die bij de jager op bezoek gingen keerden niet meer terug naar het dorp en de jager bouwde ook hutten voor hen bij zijn eigen hut. Toen was er een dorp met het beeldje en een dorp zonder het beeldje.

Er werd gevochten om het land, de beesten en de beste vruchten uit het bos. Het dorp met het beeldje kreeg steeds meer bezit. Ze hielden alle noten, vruchten en honing voor zichzelf en de bewoners van dat dorp met het beeldje werden blind voor de honger die het andere dorp had.

De mensen van het arme dorp zonder beeldje kregen zo’n honger dat ze gingen stelen bij het rijke dorp. Om zich tegen de diefstal te beschermen maakten de bewoners van het rijke dorp een muur. En dag en nacht bewaakten ze de muur en alle vruchten, noten en beesten die ze in het dorp hadden. Ze hadden bijna geen tijd meer om rustig bij elkaar te zitten en rustig te overleggen. De jager met het beeldje werd uitgekozen om de baas over allemaal te zijn omdat er zo weinig tijd was om met elkaar beslissingen te nemen.

De mensen vergaten de doden. De mensen in het dorp met het beeldje hadden geen tijd ervoor. Ze waren te druk met het bewaken van hun bezit. De mensen uit het dorp zonder beeldje wisten niet beter dan dat de zielen van de doden niet meer bij hen hoorden.

Het was ergens in die periode dat de vreemdeling, die het beeldje had gegeven op zijn eeuwigdurende reis, weer terugkeerde. Wat hij zag maakte hem heel verdrietig. In het ene dorp waar het beeldje was werd hij met argwaan bekeken. Het beeldje, zo dachten de mensen van dat dorp, had hen rijk gemaakt en als de vreemdeling het beeldje weer weg zou nemen, dan zouden ze weer arm worden net zoals het dorp waar ze dat beeldje niet hadden. De jager die de baas was besliste dat de vreemdeling weg moest. Toen ging de vreemdeling naar het andere dorp. Ze deelden hun eten met de vreemdeling en ze spraken over het verdriet dat het beeldje had gebracht. Ze wilden ook een beeldje zodat ze net zo rijk zouden worden als het andere dorp.

De vreemdeling dacht lang na. Hij had heel veel spijt dat hij het beeldje had gegeven en aan al het ongeluk dat hij onbedoeld had veroorzaakt. Nadat hij heel erg lang had nagedacht liet hij in de avond een groot vuur maken waar hij de mensen van het arme dorp om heen liet zitten.

Toen zei hij: ‘Als je dingen bezit, dan ben je bang om het weer kwijt te raken. En als je bang bent om iets kwijt te raken, dan wil je het niet meer delen, ook al heeft een ander het veel harder nodig. Je wordt blind voor de ziel van jezelf en de zielen van de doden. Je hart wordt koud. Dat is het ergste wat je kan overkomen. Wat je wel kunt bezitten zonder bang te zijn om kwijt te raken is een goed verhaal. Een goed verhaal dringt door in het mensenhart en kan iemand zelfs genezen van de blindheid voor zijn ziel. Het verhaal van jullie gelukkige dorp, dat verdween door het bezit van het beeldje, is een verhaal dat andere mensen beter kan maken. Laat het verhaal van jullie gelukkige dorp over de wereld reizen. Als je het goed vertelt, wordt een koud hart weer warm.’

En zo ging het eerste verhaal dat over de wereld moest reizen op pad. Nu je dit verhaal leest of hoort, dan weet je dat het al een lange weg heeft afgelegd en dat jij het ook weer verder reizen laten moet.

Voor mijn lieve zus Els

Leo

Dit verhaal begon zijn eerste reis op Internet van Rotterdam naar Breda op 23 augustus 2008
©leo burger – leoburger@gmail.com