Grammel

‘Pappa, waarom zoemen de muggen zo?’ En de pappa zei: ‘Er was eens een meisje die precies hetzelfde vroeg als jij. Dat was heel lang geleden. Die pappa was een soort tovenaar, maar geen hele enge hoor. Het was een heel aardige tovenaar die overdag gewoon op kantoor werkte. Nou, toen dat meisje vroeg waarom de muggen ‘s nachts zo zoemden en zei dat het rotmuggen waren, toen zei die tovenaar dat hij er wel wat aan kon doen. Voortaan zouden de muggen niet meer zoemen.

Die nacht ging het meisje slapen en er waren helemaal geen muggen die zoemden om haar hoofd dus ze kon lekker dromen. Maar midden in de nacht werd ze wakker van een hels kabaal. Er kwam iemand op de trap gebonkt met potjes en pannetjes en een heleboel kleine emmertjes aan zijn riem. Het meisje deed de deur van haar slaapkamertje open en vroeg aan de vreemde snuiter die bijna boven was: ‘Wie ben jij?’ ‘Ik ben Grammel’, zei de snuiter, ‘ik ben hier voor een ietsiepietsie bloed van jou omdat ik het nodig heb voor kleine babymuggen.’ Het meisje zette bovenaan de trap haar handen in haar zij en zei: ‘Ja maar dat gaat zo maar niet. Waarom maak jij zo’n enorm kabaal om een ietsiepietsie bloed? Ben je helemaal betoeterd?’ Grammel keek beteuterd. ‘Ik kan er niets aan doen dat ik zo’n lawaai maak. Ik doe dit allemaal voor het eerst. Gisteren gingen de moedermuggen zelf nog bloed halen voor hun kindjes. Vandaag kon dat niet meer, want alle moedermuggen zijn betoverd. Maar alle babymuggen huilen van de honger, dus iemand moet eten voor ze gaan halen. Niemand kan meer slapen van het muggenbabygehuil bij de slootkant.’

Het meisje vroeg: ‘Waarom heet jij Grammel?’ De snuiter keek bedremmeld: ‘Ik veroorzaak met mijn potjes en mijn emmertjes gerammel en daarom noemt met mij Grammel. Ik kan er niets aan doen. Ik wil wel zachtjes doen, maar het lukt me niet.’ Het meisje kreeg een beetje medelijden met hem: ‘En ben je nu de hele nacht bezig met het verzamelen van ietsiepietsies bloed voor alle babymuggen?’ Grammel liet haar een briefje zien met allemaal adressen en aanwijzingen hoe hij in diverse slaapkamers moest komen. Het meisje zag het adres van haar oma en haar beste vriendin er ook tussen staan. ‘Ja maar, je mag mijn oma niet gaan wakker maken, en ook mijn vriendinnetje niet.’ Ze streepte die adressen door. Grammel keek naar zijn briefje en zei: ‘Maar dan krijg ik niet genoeg eten voor de babymuggen. Dan moeten ze weer de hele tijd huilen.’ Het meisje zei beslist: ‘Maar mijn oma schrikt zich een ongeluk van jou. Je bent misschien niet onaardig, maar dat is toch geen gezicht zo’n hele grote Grammel die de trap op en afgaat met hels kabaal wat die moedermuggen zo stilletjes doen.’ Grammel keek sip: ‘Ik kan het niet helpen dat ik meer lawaai maak dan de moedermuggen. Zij kunnen vliegen, ik niet en hun vleugeltjes zoemen alleen maar een beetje. Als we die tovenaar nu maar konden vinden die de moedermuggen betoverd heeft, dan konden we hem vragen of hij ze weer kon onttoveren.’ Het meisje bleef boven aan de trap staan en zei toen: ‘Als jij nu geen lawaai meer maakt en snel terug gaan naar de sloot waar de babymuggen wonen, dan zal ik naar de tovenaar gaan die de moedermuggen weer kan onttoveren.’ ‘Durf jij dat zomaar?’, vroeg Grammel ongelovig. ‘Durf jij echt naar die tovenaar te gaan?’ ‘Ik wel’, zei het meisje, die heus wel wist dat ze niet bang hoefde te zijn voor die tovenaar, het was immers haar eigen vader. Grammel stommelde met een hoop lawaai van de trap af en riep over zijn schouder: ‘Veel succes bij de tovenaar. Ik vind jou dapper hoor.’ Toen is dat meisje naar haar vader toe gegaan en zei: ‘Pappa, pappa, wil je de muggen weer onttoveren?’ Omdat het midden in de nacht was lag de pappa die ook tovenaar was al lang te slapen, maar hij werd toch wakker toen zijn dochter hem vroeg de muggen te onttoveren. En vanaf die nacht konden de moedermuggen weer zoemen als ze eten gingen halen voor hun kinderen en hoefde Grammel niet meer met veel lawaai de trappen op.’