Exclusie (kort verhaal)

– Om 12.03 kwam de arrestante binnen en legde een lang mes op de balie voor de dienstdoende wachtcommandant. Arrestante was rustig en niet bedreigend, maar was enigermate verward en mogelijk onder invloed. Arrestante verklaarde dat ze met het mes meermalen had gestoken. Op lemmet, noch op heft waren zichtbare sporen van enig menselijk bloed of ander weefsel aanwezig. Het mes is voor nader onderzoek in beslag genomen en doorgestuurd. Vooralsnog is er geen slachtoffer van een steekpartij bekend. Voorgeleiding geschiedt morgenochtend. In verband met de verwarde toestand is hulpverlening geïnformeerd.–

Anne Coeberg liet zich na haar aanhouding rustig naar de arrestantenkamer brengen. De wachtcommandant keek veelbetekenend naar de twee collega’s die na haar insluiting terugkwamen. ‘Wat een moot’, was zijn onvervalste Rotterdamse commentaar. ‘Moot, dat woord ken ik niet’ ‘Dat is wat jij een stoot noemt. Een moot is hetzelfde als een hapklare brok.’ ‘Toch zonde dat ze niet niet helemaal in orde is. Zonde van zo’n mooie meid’ ‘Zeker.’

Daarna gingen de dienstdoende klabakken weer aan het werk en spraken er niet meer over. Ook omdat er twee vrouwelijke collega’s aankwamen waarvan bekend was dat ze zich al snel stoorden aan seksuele toespelingen. Om 16.14 kwam de dienstdoende psychiater binnen en vroeg assistentie om Anne Coeberg te bezoeken. Toen de psychiater met twee agenten naar de arrestantenkamer op weg ging, maakte een van de achtergebleven agenten een geluid van een opgewonden aap en draaide met zijn vingers rondjes bij zijn slapen.

Anne Coeberg zat met opgetrokken knieën in een hoekje van het vertrek en keek verwonderd op dat er drie mensen de arrestantenkamer binnenkwamen. ‘Met z’n drieën? Zo sterk en gevaarlijk ben ik ook weer niet hoor. Wel fijn dat er wat gebeurt, want ik zit me hier kapot te vervelen. En er is niet eens een bed waar je even op kunt pitten.’

‘Er is bezoek voor je’, zei een van de agenten en hij voegde er aan toe: ‘Het is hier geen hotel.’ De psychiater maakte een gebaar naar de agent en richtte zich naar Anne Coeberg. ‘Goedemiddag, ik ben de dienstdoende psychiater, ik kom even een praatje met u maken om te zien of alles met u in orde is en of u nog iets nodig heeft voor de komende nacht.’

‘Zo zo, een psychiater die me vraagt of ik wat nodig heb voor vannacht. Wel wel.’ Anne Coeberg klonk zo cynisch als ze maar kon. ‘Nou ja, om te beginnen heb ik een bed nodig als ik vannacht nog moet blijven. Maar dat kunnen die flapdrollen hier ook wel doen, daar hebben we u niet voor nodig.’ De psychiater knikte naar haar terwijl een van agenten schamperend gromde. ‘Dat komt later wel, ik wil even met u praten om duidelijk te maken of u veilig de nacht in kunt, of u zichzelf niets zult aandoen.’

Nadat de agenten op het verzoek van de psychiater buiten de arrestantenkamer bleven wachten zodat hij wat rustiger met Anne Coeberg kon praten vroeg hij haar of ze tegenover hem op een stoel wilde gaan zitten. Ze stond op, zichtbaar stram van het lang op de grond zitten en ging tegenover hem zitten. Ze keek hem met heldere nieuwsgierige ogen aan. ‘Ik heb niet de indruk dat u op dit moment verward bent’, zei de psychiater constaterend. ‘Nee, ik ben niet verward. Hebben ze verteld dat ik verward was?’ ‘Men vermoedde het.’ ‘Guttegut.’

‘Er komt niet elk moment van de dag een jonge vrouw het politiebureau ingelopen die vervolgens een mes voor de wachtcommandant neerlegt en zegt dat ze er iemand mee gestoken heeft. Men kan dan toch snel het idee krijgen dat die vrouw wat verward is.’

Anne Coeberg bleef de psychiater lang aankijken en zei niets. Op haar gezicht welden emoties op die zowel op pijn, verdriet of woede konden duiden. Uiteindelijk vroeg ze aan de psychiater: ‘Bent u er echt in geïnteresseerd of wilt u binnen een paar minuten scoren en dan weer door naar de volgende gek?’ ‘Maakt dat uit voor u?’ ‘Dat maakt toch uit voor iedereen?”Ik ben er op een persoonlijke maar zeker op beroepsmatige manier in geïnteresseerd.’ ‘En u heeft meer dan vijf minuten de tijd?’ ‘Ik heb zeker de tijd om uw verhaal eens te horen. Zal ik om wat koffie vragen?’ ‘Graag, ik heb erg trek in koffie en dan doen die flapdrollen ook nog eens wat.’

Terwijl ze in haar koffie roerde en de agenten zich door de psychiater hadden laten geruststellen dat ze niet bij de deur hoefden te wachten begon ze te vertellen: ‘Ik was altijd een gelovig mens en ik ben dat nog wel. Bent u gelovig?’ ‘Dat ligt eraan.’

‘Ik kom van H###, uit een christelijk nest. Niet zomaar christelijk, maar van het echte kerkje zoals wij dat noemen. Ben u een beetje thuis in de kerken?’ De psychiater schudde met zijn hoofd. ‘Daar weet ik heel weinig van, maar daar gaat u me nu vast wat over vertellen.’

‘Aan iemand die er niet in thuis is, heeft het weinig zin om erover te vertellen. Laat ik gewoon maar zeggen dat het bij ons thuis echt streng was. Van kinds af aan kreeg ik de teksten Kanaäns met de paplepel ingegoten. Ik wist niet anders en het was goed. De leden van het kerkje gingen goed met elkaar om en dan voel je je deel uitmaken van een groot verband. Kinderen halen weleens wat kattenkwaad uit en dat was bij ons niet anders. Mijn ouders waren streng, maar op hun manier ook weer heel zachtaardig. Als je eens wat gedaan had wat niet door de beugel kon, dan kon mijn vader je als kind aankijken en wijzen op een Bijbeltekst die erop van toepassing was. Mijn moeder kon mijn vader dan weer aankijken en zeggen: “Maar Jo, je bent toch zelf ook jong geweest.” Mijn vader kon dan ook weleens een knipoog geven en dan wist je dat het allemaal zo’n vaart niet liep. Binnen onze gemeente waren er ook wel gezinnen waar het er wat anders aan toe ging hoor. Maar op hun manier waren mijn ouders heel erg zachtaardig en heel zorgzaam.’

‘Ik leidde op die manier een heel beschermd en gelukkig leventje. En van een klein meisje veranderde ik in een tienermeisje. Een aantal van de meiden in de gemeente werden wild en sommigen zijn zelfs de wijde wereld ingetrokken. Dat leverde dan weer een donderende preek op vanaf de kansel dat de satan overal zijn werk deed. Ik werd niet wild, ik ging de wereld niet in, ik bleef bij mijn ouders en droomde van een gelukkig huwelijk met een christelijke jongen, hoewel ik nog geen idee had wie dat zou kunnen zijn. Mijn vader en mijn moeder, mijn twee jongere broertje en ik waren gelukkig met elkaar en niets leek dat geluk te kunnen verstoren.’

‘Op een middag fietste ik van W### waar het christelijk Atheneum was naar huis. Het was in een van de laatste weken van mijn examenjaar. Onderweg stond een broeder uit onze gemeente met zijn bestelwagen, iemand met veel aanzien omdat hij ook vaak voorgaat. Hij riep me en ik stapte af om te kijken wat er aan de hand was. Maar hij had geen pech, hij bood me een lift aan naar H###, omdat het nog zo ver fietsen was in de warmte. Ik vond dat heel vreemd, want broeder G### was normaal altijd heel stug en heel zwijgzaam. Ik zei nog dat ik het niet erg vond om in dit warme weer te fietsen en dat ik het zelfs wel prettig vond. Maar broeder G### stond erop dat ik de fiets in de bestelbus zou laden en dat hij me zou brengen.’

‘Achteraf vind ik het zo stom van mezelf dat ik ingestapt ben. Maar op dat moment vond ik het wel onaangenaam, en had ik er zeker geen goed gevoel over, maar ik had geen idee wat er aan zat te komen. Enfin, ik was de fiets nog in de laadruimte aan het zetten toen broeder G### achter me aankwam en de deuren achter zich sloot. Hij hijgde en dat was niet alleen van de warmte. Hij wauwelde maar aan een stuk door dat ik de satan was die hem uitdaagde en dat zijn vlees te zwak was om daar weerstand aan te bieden. Hij rukte mijn blouse stuk en begon mijn borsten te bepotelen. En ik maar roepen: “Nee broeder G###, heus niet, ik ben Anna Coeberg, ik ben de satan niet. Jo Coeberg is mijn vader.” En hij ging maar door met wauwelen dat satan gestraft moest worden. In het dagelijks leven is G### politieman en het is een beul van een vent. Hij kon me met een hand optillen en met zijn andere hand verder van mijn kleding ontdoen. Hoe hard ik hem ook probeerde weg te duwen, ik had geen schijn van kans.’

‘Het waren angstige momenten achterin die wagen. Ik verstijfde op een moment en mijn verstand hield gewoon op met werken. Het was een soort shock waarin ik terechtkwam. Op een gegeven moment kwam ik pas weer een beetje bij zinnen toen die vuile kerel me weer uit liet stappen en mijn fiets doodleuk weer naast me neer zette. Hij beet me toe: “Je kunt hier maar beter niets over vertellen, tegen niemand. Anders loopt het niet goed af voor jou en je familie in onze gemeente.” Ik heb daar nog een tijd versuft langs het fietspad, aan het kanaal gezeten. Ik hoorde alles en tegelijk hoorde ik ook niets. Misschien heb ik daar wel twee uur gezeten of nog langer. Ik ben naar huis gefietst en ik zorgde dat niemand me zag. Ik ben naar boven gegaan en heb alle vuiligheid van me afgewassen.’

‘Natuurlijk merkten mijn ouders dat er iets was. Maar mijn moeder weet het aan de examenvrees. Ik natuurlijk meteen doen alsof dat het was. Na het eten ben ik in bed gaan liggen en heb uren liggen huilen van ellende. De andere dag was het nog erger, ik was misselijk en was koortsig. De dokter kwam, maar die kon niets bijzonders vinden. “Examenvrees, heel wel mogelijk.” Ik moest maar een paar daagjes rust nemen en me dan gaan voorbereiden op mijn examen, dan zou het allemaal wel beter gaan. Maar het ging helemaal niet beter. Ik moest de zondag erna gewoon mee naar de kerk. Ik had kramp in mijn maag toen ik naar de kerk liep. Ik wilde die G### niet tegen het lijf lopen. Maar die stond met een andere voorganger bij de ingang handen te schudden. “Hallo Anne”, zei hij, “welkom bij de dienst.” Oh, dat hij dat kon, dat hij daar kon staan en net doen alsof er niets was gebeurd. Ik kon er met mijn verstand niet bij. Het was niet te vatten.’

‘Uiteindelijk heb ik mijn hele examen verknald. Ik kon niets op papier zetten en als ik wat op papier kreeg, dan was het onzin. Ik heb uiteindelijk niet eens afgewacht tot ik nieuws kreeg van de school dat ik gezakt was. Ik wist het al en ik had in de weken die tussen de aanranding zaten en het moment dat de uitslag zo’n beetje zou komen mijn besluit genomen. Ik wilde nooit meer naar die kerk zolang G### daar zou zijn, ik wilde niet nog een jaar naar dezelfde school en met dezelfde spanning leven. Ik moest weg. Zodoende heb ik een tasje gepakt en ben naar Rotterdam gegaan. Ik weet niet waarom hier, maar ik had van Amsterdam heel slechte verhalen gehoord en ik dacht ook dat ik in Rotterdam niemand zou kunnen tegenkomen die ik kende.’

‘Ik heb een baantje gevonden in de horeca en later vond ik een kamer. Ik ben met helemaal niets begonnen en ben zo langzaamaan een leventje gaan opbouwen. Ik vermijdde nauw contact met iedereen. Ik deed gewoon mijn werk en wilde niet opvallen. Ik kocht een radio en een televisie. En ik werkte ook gewoon op zondag. Want in Rotterdam gaat het leven gewoon door. Pas na een paar maanden kreeg ik in de gaten hoe eenzaam ik me eigenlijk voelde en toen ik daar over nadacht vond ik dat een goed teken. “OK”, zei ik tegen mezelf, “er is leven na de aanranding.” En toen ben ik beetje gaan leven.’

‘Dat is allemaal nu zo’n tien jaar geleden. Ik ben verleden jaar op een dag gewoon in mijn autootje gestapt dat ik van mijn zuur verdiende centjes heb gekocht en ik ben naar H### gereden. Niet eens met de bedoeling om iemand tegen te komen of iemand te zien, maar om het dorp te zien en langs de kerk te rijden. Ik wilde die confrontatie met mezelf gewoon aangaan om weer vrij te worden. Toen ik in H### aankwam zag ik mijn vader en moeder boodschappen doen. Wat waren die oud geworden in die jaren. Ik heb zitten janken in mijn autootje. Ik was zo dichtbij en toch zo veraf. Er liep ook een grote knul bij in wie ik mijn jongste broertje herkende. Wat was dat een beul van een vent geworden. Ik had dat allemaal gemist. En alsof het allemaal nog niet genoeg was, parkeerde G### iets verderop en stapte hij uit en begroette mijn ouders. Oh, misselijkmakend was het om te zien hoe die man met zijn zogenaamd meelevende smoel met zijn beide handen de hand van mijn vader pakte en deze vol gevoel schudde.’

‘Op weg naar huis riep ik uit: “Je bent een gore schijnheilige klootzak, een misdadiger.” Ik voelde me zo enorm machteloos. Ik heb geïnformeerd hoe het zat met een eventuele aangifte. In principe moet je aangifte doen in de plaats waar het delict heeft plaatsgevonden. Nou dat was gecompliceerd omdat G### bij de politie werkt in de plaats waar ik aangifte zou hebben moeten doen. Mij is gezegd dat het inmiddels verjaard is. Dit is het bureau waar ik geïnformeerd heb hoe het zat. Toen ze hoorden dat G### een collega was, was er bijzonder weinig bereidheid om er energie in te steken. Het was toch verjaard, waarom wilde ik oude koeien uit de sloot halen? Ik moest de zaak maar laten rusten.’

‘Een paar dagen nadat ik op dit bureau was geweest werd ik gebeld door G###. Hij had van de mensen hier gehoord dat ik die “oude zaak” weer wilde oprakelen. Ik probeerde er tussenin te brengen dat het voor mij helemaal geen oude zaak was, maar dat hij Godverdomme mijn leven had afgenomen. Dat ik anders gewoon op de universiteit was gaan studeren. “Kom meisje”, ik hoor hem nog zo met die zalvende stem zeggen, “je weet toch wel beter. Het was jij die me verleidde. Jij wilde een ritje naar huis en je hebt me toen ernstig in verlegenheid gebracht. En ik vind het niet prettig als je vloekt.” Moet je nagaan dat ze tegen mij zeggen dat ik die zaak maar moet laten rusten, is er wel een van die paardenlullen hier die G### opbelt om te zeggen dat ik hier op het bureau ben geweest over die zaak. Op bepaalde momenten ben je echt rechteloos hier in dit land.’

‘Een paar weken later werd ik gebeld door mijn moeder. Hoe was het mogelijk dat ze ineens mijn nummer had? Ik was blij dat ze mijn nummer te pakken had gekregen, eindelijk weer een teken van leven. Ik had gewoon hoop dat G### tot inkeer gekomen was en de weg had vrijgemaakt zodat ik zonder verdere problemen met mijn ouders contact kon hebben. “Mamma?”, vroeg ik, toen het een tijdje stil was aan de andere kant. Het bleef daarna nog een tijdje stil en ik vroeg weer; “mamma?” Ineens begon mijn moeder te praten. Wat me bezielde om de goede naam van de familie te grabbel te gooien, waarom ik het kerkje in verlegenheid bracht met allerlei lasterpraat, waarom ik zaken oprakelde die beter maar konden blijven rusten. Ik was perplex, nee perplex is niet het juiste woord, ik werd voor de tweede keer aangerand. Het voelde precies zo als destijds langs het kanaal waar ik aangerand werd. Ik vroeg aan mijn moeder: “Wat heb je gehoord dan? Ik heb niets tegen het kerkje gedaan. Wat heb ik gedaan om de goede naam van de familie te grabbel te gooien?” Ik had het gevoel dat ik in een lege ruimte sprak waar nooit iemand mij ooit kon horen. “Pappa en ik hebben afgesproken dat we er niet meer over zullen spreken. We willen dat jij er nu ook over zwijgt zodat de verdere schande ons bespaard blijft.” En dat was dat, ik heb nog wel wat proberen te zeggen, maar ik wist geen woorden meer te verzinnen. Toen ik de klik hoorde was ik echt afgesneden van mijn laatste reepje hoop dat het in dit leven ooit nog goed kon komen.’

‘In de afgelopen weken heb ik me eerst heel klein en ellendig gevoeld. Ik heb aan zelfmoord gedacht. En toen werd ik opstandig. Ik kreeg moordfantasieën. Ik zag steeds voor me hoe ik G### aan het mes reeg als hij met zijn huichelachtige smoel voor de kerk zou staan om de gemeente welkom te heten. Dat ik dan in de rij zou staan en nog voor hij van de verbazing zou zijn gekomen hem dat mes in zijn donder had gestoken. Maar uiteindelijk bleef het bij fantaseren. Tot ik vannacht hem ritueel vermoord heb. Ik pakte een kussen en ik beeldde me steeds meer en meer in dat het G### was. Ik heb hem op diverse malen beslopen en op diverse malen vermoord. Om de zaak compleet te maken ben ik mezelf daarna gaan aangeven op dit bureau en nu zit ik dit verhaal aan u te vertellen. Wat denkt u dokter, ben ik gek?’

©2009 – Leo Burger