Als Amy Jane door het dorp liep, vielen de gesprekken stil en keek men haar na. Mannen hoopten heimelijk op een glimp van meer als de zomerwind haar jurk beroerde, ze wensten eigenlijk dat ze zelf even de zomerwind waren om haar jurk iets op te lichten en iets meer van haar romige dijen en andere rondingen te zien en langs haar huid te blazen. Als Amy Jane uit het zicht verdwenen was dan was de straat net iets leger als daarvoor.
Ze logeerde bij haar grootouders net buiten het dorp. Velen vonden een excuus om toevallig in de buurt te zijn. Mogelijk dat ze net bloemen plukte met de gratie van een jonge godin die alles een gouden glans verleende. Maar de grootste droom was dat ze zou gaan zwemmen in de kreek. Want iemand beweerde dat ze dat weleens deed, moederziel alleen en poedelnaakt.
Er woonde ook een jonge dichter in het dorp. Niemand wist dat hij een zeventien jarige dichter was. Toch schreef hij schriften vol met poëzie die ging over het wonder Amy Jane. Het was mislukt omdat Amy Jane zelf een gedicht was. Niets kon haar schoonheid evenaren, zelfs niet de schrijfkunst van de jonge dichter.
Amy Jane keek naast de kreek naar de bleke maan en droomde zachte dromen van een negentien jarig meisje die alleen zij zelf wist. Ze stond op en gracieus dook ze in het koele water. Daarna droomde ze verder aan de waterkant. De jonge dichter begluurde haar en kreeg koortsachtige ideeën voor weer een nieuw gedicht. Glinsterende waterdruppels die langzaam dronken van haar lichaam voor ze kokend verdampten, het moest geschilderd in een vers.
‘Was ik de waterdruppel die dronk van haar borst, was ik de glinstering die vertoefde op haar dij, was ik de maan die kon kijken naar haar, was ik de zon die haar warmen kon, was ik een paard die ze tussen haar dijen klemt.’ De jonge dichter hield zijn adem in en streepte alles door. De gedachte dat Amy Jane haar benen om hem heen geslagen had, ook al was hij dan een paard, was verdorven en ontspoorde zijn dichterlijk gemoed.
‘Ik ben een jonge graaf, een jonge pornograaf’, schreef de dichter in zijn schrift. ‘Wat doe je daar?’ Dat heb je met dromende dichters, ze vergeten dat ze aan het gluren zijn en dan worden ze betrapt. Amy Jane stond in het kleed van moeder natuur en vroeg wat hij daar deed. ‘Ik ben aan het dichten.’ Starend tegen de zon keek hij naar haar omhoog en zou nooit vergeten wat hij daar zag.
‘Stoort het je dat ik geen kleren draag?’, vroeg Amy Jane toen ze zijn verwarring zag. ‘Nee, juist niet, ik bedoel, ik probeer niet te kijken, ik weet niet goed wat ik zeggen moet.’ ‘Noem jij jezelf een dichter?’, vroeg Amy Jane geamuseerd. ‘Moet een dichter niet juist wel kijken en wel weten wat hij zeggen moet? En ben je juist niet naar deze kreek gekomen om mij te zien? Waarom zit je hier anders verscholen in de bosjes?’
De jonge dichter wenste even dat hij ergens anders was, maar toen meteen weer niet. ‘Ik denk dat dit het mooiste is wat ik ooit zal zien’, bekende hij. Amy Jane streek met haar handen langs haar heupen en buik en stuwde haar borsten omhoog terwijl ze even zachtjes in haar tepels kneep. ‘Ja, ik ben best lekker’, verklaarde ze met een lach, ‘en ik kan mezelf de hele dag bekijken en betasten, als ik dat zou willen dan.’
‘Wat was je aan het schrijven’, ze bukte, pakte het schrift uit zijn verblufte handen. Ze bladerde erin en zag dat alles over haar ging en het meeste was doorgestreept. ‘Arme jongen, kun je aan niets anders meer denken? Wat kunnen we daaraan doen? Ben je nooit eerder met een meisje geweest? Hoe kun je dan gedichten over de liefde schrijven?’ Ze ging tegenover hem zitten.
‘Het is mijn plicht je te helpen.’ Ze zei het met een serieuze maar ook ondeugende lach. ‘Je lijkt me een romantische jongen die denkt dat meisjes heilig zijn. Misschien dat ik je daarmee een beetje kan helpen. Pak je schrift en je pen en doe wat ik je zeg.’ Ze spreidde haar dijen en opende haar wonderlijke heerlijkheid. ‘Schrijf op wat je hoort. Ik weet, je blik is hierop gericht.’ Ze wees op het weelderige vlees rond haar kelkje. ‘Maar terwijl ik hiermee wat speel en jij er naar kijkt moet je opschrijven wat je hoort.’
De jonge dichter die gisteren nog in halve onschuld verkeerde, was terstond geneigd te doen wat ze zei, maar hoe hij ook probeerde te luisteren, hij hoorde niets, hij zag slechts hoe ze aan haar vingers likte en deze weldra tegen haar andere lippen wreef. ‘Kom, wat hoor je’, vroeg ze hees, ‘je wordt toch niet doof door naar mij te kijken?’ De pen van de jonge dichter beefde. ‘Ik hoor het koeren van de houtduifjes.’ Ze kreunde zacht: ‘Schrijf dat dan op.’
‘Wat hoor je nog meer?’ Ze keek hem aan met haar wonderlijk gekleurde ogen. ‘Ik hoor het gonzen in mijn hoofd en ik geloof dat ik een leeuwerik hoor.’ ‘Ja dat is goed’, zei ze zuchtend terwijl ze haar ogen even sloot. ‘Schrijf maar op.’ Met bevende hand begon de jonge dichter te schrijven. ‘Welke regel zou je nu willen schrijven’, vroeg ze toen hij klaar was. ‘Dat je doos is als een mooie roos’, antwoordde hij naar waarheid. Haar lach klaterde zoet in zijn oren. ‘Wat is dat voor taal, wel grappig daar niet van, maar ik spreek zelf niet van doos, ik noem het mijn mossel, maar ook wel spleet of kut’, ze keek hem guitig aan en legde haar hoofd op het mos.
‘Ik denk vaak aan mossel omdat de smaak een beetje ziltig is.’ Ze likte weer even aan haar vingers. ‘Wil je het proeven?’ Ze boog naar hem en hield hem haar vingers voor. Aarzelend likte de jonge dichter de vingers van Amy Jane. De jonge dichter dacht diep na en schudde zijn hoofd. ‘Ik ben bang dat ik het niet proef, het spijt me.’ Amy Jane rook weer zelf aan haar vingers. ‘Wacht, ik zal je opnieuw laten proeven. Ben je er klaar voor?’ Ze schoof haar vingers diep naar binnen en stopte deze daarna vochtig en wel in de mond van de jonge dichter die er nu, minder aarzelend, op zoog. ‘Ja, mogelijk dat het ietsje ziltig is.’
‘Ik zei het je toch? Zo, vandaag hebben we genoeg gedaan. Ik ga nu weer lekker zonnen en zwemmen. Ga jij thuis verzinnen wat rijmt op mossel.’ Ze sprong op en maakte een dansend rondje. ‘Of ben je een gluurder vanaf geboorte? Dan is er vrees ik weinig meer aan te doen.’ ‘Nee, ik ben geen gluurder van geboorte, tenminste, ik geloof van niet. Mag ik morgen weer komen?’ Het laatste vroeg hij snel en had eigenlijk al spijt dat hij het gevraagd had. Ze maakte een gebaartje met haar hand onder haar kin of ze even diep moest nadenken. ‘Nou, vooruit dan maar, maar alleen als je iets weet wat rijmt op mossel.’ Ze danste weer naar de waterkant en riep hem nog na: ‘Er rijmt niet zoveel op mossel.’ Nog voor hij wat had kunnen zeggen dook ze in het water.
De jonge dichter wist niet dat hij zijn leven lang alleen nog maar gedichten schrijven kon die gingen over Amy Jane. ‘Is het Robert of is het Miguel, die mag zitten aan haar mossel. Ik zal het niet zijn, want ik ben slechts onbenul. Mijn gedichten staan bol van flauwekul. Het liefst proef ik weer haar mooie mossel.’ Wat hij ook probeerde er kwam verder geen inspiratie. Hij kon aan niets anders meer denken dan aan Amy Jane.
Amy Jane deed boodschappen met haar mandje. Jaloerse vrouwen sisten en de mannen deden dingen die ze anders nooit meer deden. De dokter verfde het hek, de slager veegde zijn stoepje schoon en de winkelier lapte zijn ramen met plezier. Iedereen wilde er zijn als Amy Jane voorbij kwam om niets te missen. Amy Jane danste door de straat met de zon in haar haar. Een grootvader had zijn wandelstok thuisgelaten en liep rechtop over straat als een jonge god.
Het eerste wat de jonge dichter deed toen hij opstond was kijken naar de vroege ochtendzon. Zijn moeder kreeg een zoen en ze keek verbaasd. Wat was het toch een wonderlijke jongen die daar in de morgen de trap kwam afgedanst. Na de klusjes en alles wat nog nuttig leek moest de jonge dichter weer kijken bij de kreek.
‘Ben je daar alweer?’, vroeg Amy Jane quasi verbaasd. De jonge dichter sloeg zijn schrift open en liet haar een tekening zien van een vaas met orchideeën. ‘Ik heb bloemen voor je meegebracht.’ Ze pakte het schrift en bekeek de tekening. ‘Oh, dat is zo lief.’ ‘Het is voor het eerst dat ik iemand bloemen geef’, zei hij, ‘behalve dan op moederdag.’ ‘Het is een eer om van iemand de eerste bloemen te krijgen, ik zal het niet vergeten. En het gedicht? Ik had je toch gezegd pas terug te komen als je iets wist te rijmen op mijn mossel.’
De jonge dichter ging naast haar zitten aan de kreek. Hij begon het al bijna normaal te vinden dat ze naakt in Goddelijke heerlijkheid naast hem zat. Later zou hij schrijven dat zijn hart op dat moment voorgoed verwond raakte door haar aanwezigheid. ‘Ik weet niet of ik het je kan laten lezen. Het is niet goed genoeg.’
Ze pakte zijn schrift en vroeg: ‘Staat het hierin? Het maakt niet uit of het nog niet goed genoeg is. Het is voor het eerst dat iemand een gedicht voor me heeft geschreven. Dat zal ik nooit vergeten.’ Ze begon hardop te lezen: ‘Is het Robert of is het Miguel, die mag zitten aan haar mossel. Ik zal het niet zijn, want ik ben slechts onbenul. Mijn gedichten staan bol van flauwekul. Het liefst proef ik weer die mooie mossel.’
Was het een karper die het oppervlakte van het water deed rimpelen? De jonge dichter wist het niet, hij verwachte dat ze hem uit zou lachen om zijn mislukte gedicht. Maar ze bleef stil en bladerde nog wat in zijn schrift. ‘Deze vind ik mooi’, zei ze. ‘Je hebt hem doorgestreept, maar hij is mooi.’ Weer las ze hardop voor: ‘Was ik de waterdruppel die dronk van haar borst, was ik de glinstering die vertoefde op haar dij, was ik de maan die ongegeneerd kon kijken, was ik de zon die haar warmen kon, was ik een paard die ze tussen haar dijen klemt.’
En terwijl de zwaluwen over het land scheerden zei ze: ‘Ik zal je berijden als mijn paardje. Ga op handen en knieën en ik bestijg je. Breng me in het water, ik krijg het warm.’ De jonge dichter aarzelde, daar had hij later nog duizend keer spijt van, maar zij amuseerde zich ermee. ‘Als je niet wil dat je kleren nat worden kun je je maar beter uitkleden, denk je niet?’ Ze wachtte en besteeg zijn rug waarbij hij sidderde van de intense ervaring. ‘Prik ik je met mijn stoppeltjes? Ik had mijn mosseltje wel glad gemaakt als ik geweten had dat ik op je rug zou rijden. Maar alleen een gekke dichter als jij komt op dat idee. Kon ik dat weten?’
Ze schoof iets naar achteren en legde haar voeten op zijn achterste en hield zich vast aan zijn schouders. Weer sidderde de jonge dichter. ‘Zo hop hop, naar het water’, commandeerde ze. Alle mannen zouden in zijn plaats willen zijn, zo wist de jonge dichter. Hij kroop naar de waterkant en verder en bracht de Godin van het leven in het water.
Het was stil en groen onder water. Hoewel hij langer onder wilde blijven om haar dijen op zijn flanken te voelen moest hij proestend bovenkomen. ‘Ik dacht dat je een uur onder water bleef. Was je aan mijn zuignapje vastgeplakt?’ ‘Wat?’, vroeg de jonge dichter verbaasd. ‘Je hebt me wel gehoord’, zei Amy Jane en ze dook onder water.
Hij probeerde te volgen waar ze zwom, maar kon het niet zien. Als toevallig raakte haar hand onder water zijn pik. Even later kwam ze boven en sloeg met een langzaam gebaar haar haar over haar schouder. ‘Je hebt in ieder geval geen stijve.’ ‘Dat is meestal niet in het koude water.’ Hij probeerde net zo ad rem en vluchtig te antwoorden, maar het lukte hem niet het gesprek als een vlinder heen en weer te laten dwarrelen.
‘Daarom zijn de mensen die probeerden in het water te blijven leven uitgestorven, alleen aan land konden er baby’tjes gemaakt worden.’ Ze lachte en hij snapte het snel genoeg om mee te kunnen lachen. ‘Eigenlijk zijn vrouwen nog steeds meerminnen’, zei ze, ‘het waren de mannen die de vrouwen aan land dwongen te gaan, daarna zijn ze hun vinnen kwijtgeraakt. Maar ik hou nog steeds van water.’ Met haar handen wijd uitgespreid net onder het wateroppervlak liep ze een paar stappen op hem af zodat haar gezicht vlak bij het zijne was.
‘Wat stond er nog meer in je gedicht? Iets over de maan die onbekommerd kon gluren en dat je een waterdruppel wilde zijn die aan mijn tieten zouden zuigen?’ De jonge dichter verloor zich in haar ogen en voelde een zenuwachtige trilling in zijn buik. ‘Voor het leven dodelijk verwond door Amor’, bedacht hij een dichtregel. Hij wist pas aan het eind van zijn leven dat dit geen dichtregel was geweest, maar een feitelijke vaststelling.
‘Was ik de waterdruppel die dronk van haar borst’, citeerde hij zijn dichtregel. Om hen heen dansten de libellen. ‘Het was meer een dichterlijke uitdrukking dat de schrijver jaloers was op die ene waterdruppel die zich net naast het puntje van een borst bevond.’ ‘Jij bent toch die dichter die dat schreef? Dan ben jij toch jaloers op die waterdruppel? En het was toch niet zomaar een borst, het was toch mijn tiet in dat gedicht?’
‘Een dichter is natuurlijk zichzelf, maar als hij schrijft is hij ook in het algemeen iemand. Niet specifiek zichzelf’, probeerde de jonge dichter uit te leggen. Ze sloeg haar armen om zijn nek en onder water voelde hij haar benen om zijn middel klemmen. Ze werkte zich omhoog zodat haar borsten ter hoogte van zijn mond waren. ‘Nou dat zijn waterdruppels genoeg die je eraf kunt likken. Of wil je het niet? Is het alleen die niet bestaande dichter die in jou zit die dat zou willen?’
De jonge dichter sloeg zijn armen onder water om haar middel en begroef zijn hoofd tussen haar borsten. ‘Doe maar of je een waterdruppel bent die aan mijn tepels zuigt’, fluisterde ze en ze zag hoe zijn mond zich zuigend sloot. ‘Oefh’, zuchtte ze eerst en daarna bracht ze met een schokje uit: ‘Oeps.’ Ze maakte zich los van zijn zuigende mond en zijn armen en zette zich af. Toen ze een meter van hem vandaan was zei ze: ‘Misschien ben je toch nog een afstammeling van de watermensen.’ ‘Ik kon het niet helpen’, zei de jonge dichter die bang was dat ze boos geworden was.
‘Was dat soms de stijve potlood van die niet bestaande dichter? Daar is je vriendin later klaar mee, dan heeft ze twee mannen voor de prijs van één.’ De jonge dichter durfde niet te zeggen dat hij hoopte dat Amy Jane zijn vriendin zou willen zijn. Amy Jane keek naar zijn gezicht en dacht dat hij geschrokken was. Ze waadde weer naar hem toe. ‘Ik ben niet boos, maar ik was even bang dat je bij me naar binnen ging. Ik wil hem wel voelen, maar niet in me hebben.’
Terwijl haar hand onder water het kloppende onderwerp van gesprek omklemde vroeg ze: ‘Je zei net toch dat dit niet kon in het koude water? Was dat om me op een verkeerd been te zetten?’ Ze kreeg kuiltjes in haar wangen toen ze grappig beschuldigend probeerde te kijken. ‘Als ik jou je gang had laten gaan, dan had ik nu op één been gestaan.’ Ze proestte lachend. Hij zei: ‘Ik kon het niet helpen. Het ging echt vanzelf.’ Hij probeerde zich nogmaals te verdedigen, maar wilde haar niet afleiden van haar bezigheden. ‘Ja ja, dat ding van jou denkt zelf.’ Ze kneep in de ronde kop. ‘Dan zit hier zeker het meesterbrein die zijn kans schoon zag.’
‘Ik zal dat meesterbrein eens ernstig toespreken’, ze ze, ‘want hier boven water is er blijkbaar niemand die er wat aan kan doen.’ Ze verdween onder water en hij voelde haar zuigende warme mond. Hij keek om zich heen en terwijl hij verbaasd kijkend eendenpaar in het water zag dobberen besefte hij dat dit de hemel moest zijn. Vreemd, hij had altijd gedacht dat de hemel nooit bij zijn dorp kon zijn, was het toch al die tijd hier in de kreek.
Toen ze weer bovenkwam haalde ze diep adem en zei: ‘Nu is het tijd dat ik opgewarmd word. Dat staat toch ook in je gedicht? Dat je wilt dat ik het niet koud heb.’ Ze zwom langzaam op haar rug naar de kant. ‘Blijf jij maar even in het koude water. Dan word ik niet geconfronteerd met dat zelfdenkende ding van je.’ Ook al had ze het niet voorgesteld, dan nog was dat al zijn overweging geweest. Hij zwom nog een klein rondje en kon toen ook op de kant.
Ze lagen allebei op hun rug op te warmen op haar grote badlaken en keken naar de strak blauwe lucht. Ze wees schuin omhoog en zei: ‘Kijk de bleke maan’, en zonder overgang vervolgde ze, ‘wat wil je later worden?’ Ze wachtte zijn antwoord niet af en zei: ‘Jij zult altijd de jonge dichter zijn.’ De vogels zwegen en de wereld hield zijn adem in. Dat gebeurt nu eenmaal als er een lot bezegeld wordt.
‘Kijk, jonge dichter. Jij probeerde me net de les te lezen over dichters en schrijvers, maar je hebt nog een hoop te leren. Gedichten en boeken worden gelezen door vrouwen. Of heb ik het mis? Ze willen behaagd, nee, betoverd worden door je woorden en je zinnen. En als mannen je gedichten al lezen willen ze de woorden leren waarmee ze een vrouw kunnen laten knielen.’ De jonge dichter voor het leven protesteerde. ‘Ik wil je juist op handen dragen, ik wil een tempel voor je bouwen, ik vereer je.’
Ze draaide zich half om en keek ernstig naar zijn gezicht. Hij bewoog een beetje zijn hoofd zodat hij goed haar welving en later haar ogen kon zien. Hij verloor zich weer in haar ogen. ‘Luister, lekker schat van me. Je bent dan misschien een jonge dichter die denkt een tempel voor me te gaan bouwen, maar als ik morgen je de keus voorleg of ik voor je kniel en dat zelfdenkende monster van je in mijn mond neem of dat je een veldboeket voor me plukt onder het voordragen van gedichten; Wat kies je dan?’ De jonge dichter deed of hij nadacht, maar hij wist het antwoord al en zweeg.
Tempus fugit. Oftewel, de tijd vliegt. Dat is helemaal als je als Adam naast een Eva ligt die in het hedendaagse leven Amy Jane heet. Hij sprong op en griste zijn kleren bij elkaar. De zon streek zijn weldadige gouden licht laag over het nabijgelegen wuivende korenveld. ‘Zie ik je morgen weer?’ Hij vroeg het te hoopvol en te gretig, zo vond hijzelf, maar zij smolt er een beetje van. ‘Ik weet het niet’, zei ze met een pruillip. Maar toen ze zijn verbouwereerde gezicht zag zei ze snel: ‘Tuurlijk gekkie, ik heb nu eenmaal een zwak voor jonge dichters.’ Hij stopte zijn hemd in zijn broek en trok al struikelend en weglopend zijn schoenen aan. Toen riep ze hem na: ‘Aan jou de keus of je morgen een tempel voor me bouwt of dat ik voor je kniel.’ Ze stak een grasspriet in haar mond en terwijl ze weer naar het hemelgewelf keek mompelde ze: ‘Daar gaat de jonge dichter.’
Onwetend van de levenslange hunkering die hem te wachten stond, fietste de jonge dichter naar huis met een vaart die hemzelf verbaasde. Alles was mooi, de zomerlucht, het pas geverfde hek van de dokter, de winkelier die tevreden naar zijn ramen stond te kijken, behalve zijn moeder die beschuldigend en ongerust op de klok wees. ‘Ik ben een jonge dichter’, zei hij en schoof langs zijn verbaasde moeder die hem even later zijn maaltijd gaf. Maar ze keek nog wel een keer verbaasd om. ‘Een jonge dichter’, mompelde ze met een blik die schamper was en trots tegelijkertijd.
De volgende middag danste de jonge dichter op zijn pedalen naar de kreek. Hij fietste als een acrobaat. Maar er was geen Amy Jane. Alleen het eendenpaar keek met dezelfde verbaasde blik als gisteren, of was het een stompzinnige glans in eendeogen? De jonge teleurgestelde dichter ging als een gebroken mens zitten en staarde zonder wat te zien over het water waar de libellen hun dodelijke dans uitvoerden. Gisteren was hier nog de hemel, vandaag was het een eenzame hel. Een karper bewoog zijn vin even tegen het wateroppervlak.
De jonge teleurgestelde dichter stond op en sleepte een groot stuk dood hout naar een steen. ‘Ik bouw een tempel’, zei hij tegen zichzelf. En hij herhaalde: ‘Ik bouw een tempel.’ ‘Hoe zou het zijn als ze voor me geknield was?’, vroeg hij zichzelf later af.
Hij zat al op zijn zadel om naar huis te fietsen, toen zij hem riep. Hij sprong terug langs het pad en zag haar staan. Hij wees naar de stenen en het hout: ‘Ik was een tempel voor je aan het bouwen.’ Hij merkte laat, te laat vond hij altijd nog, haar tranen op. Ze wenkte en knielde.
- Mijn oog was verblind door lust en ik zag niet haar verdriet. De andere dag moest ze weg, terug naar de stad. Ik was een jongen van zeventien. Ik heb haar nooit meer gezien. Het was een verdriet en een schaamte die ik nooit met iemand heb kunnen delen. Voor altijd een jonge dichter. Voor altijd van jou, Amy Jane. Mijn lieve Amy Jane, jij liet me geheimen zien die ik nooit meer ergens anders heb gezocht.-